He was filled with a kind of freedom that was almost visible. She saw where he had been. He had crossed the country, slept in barns and fields, dry riverbeds.

Een jonge vrouw bekijkt Vernon Rand, de man, een bergbeklimmer, in de roman Solo Faces van James Salter. Hij woont een tijdje bij haar, in de bewoonde wereld. Maar de bergen lonken. Dat weet zij ook wel. Hij blijft niet. Sommige mannen kunnen niet aarden. Die zoeken iets. Het hoogste randje van het leven. Alleen daar, waar de aarde in ruil voor het risico op de dood haar geheimen prijsgeeft, voelen ze zich compleet. His chest felt empty, his hands weightless. He felt a lack of destiny, the strength to cling to existence, to remain on earth, as if he were already a kind of husk that could blow away.

The sun was warm on his legs. His clothing, different from theirs, the loaves of bread sticking out of his pack, the equipment, set him apart. A kind of distinction surrounded him, of being marked for a different life. That distinction meant everything.

Eén met de bergen, met de hoogte, met de kou, het ijs, het afzien. Daar vorm krijgen. Of juist vorm verliezen en op die manier eindelijk en volkomen vrij zijn. Marked for a different life. That distinction meant everything.

Een heerlijk boek. De enige Salter die ik nog niet had gelezen. Salter, legerpiloot, reiziger, levensgenieter, minnaar, schrijver. Goede vriend van Peter Matthiessen, tot op hoge leeftijd. Inmiddels allebei overleden.

En het is The Snow Leopard van Matthiessen waar Solo Faces me aan doet denken. Nee, het doet me er niet alleen aan denken; het heeft me ervan overtuigd dat deze twee boeken een soort tweeling zijn. Boeken die naast elkaar in de kast moeten staan. Mannen in de bergen. Hoog boven de wereld maar middenin het leven, wat dat ook moge zijn. Diep, diep in het zijn, in een stilte waar zijn niet wezenlijker kan voelen, waar het alleen nog maar metafysisch benaderd kan worden. 

The Snow Leopard. Matthiessen in Nepal, op zoek naar een de sneeuwluipaard die hij niet zal vinden…    

In the early light, the rock shadows on the snow are sharp; in the tension between light and dark is the power of the universe. This stillness to which all returns, this is reality, and soul and sanity have no more meaning than a gust of snow; such transience and insignificance are exalting, terrifying, all at once…Snow mountains, more than sea or sky, serve as a mirror to one’s own true being, utterly still, utterly clear, a void, an Emptiness without life or sound that carries in Itself all life, all sound.

Wat een schitterend geschenk, deze twee mannen, die vrienden waren, die elkaar begrepen. Deze twee boeken, die elkaar begrijpen, die één en hetzelfde bezingen met bijna dezelfde kraakheldere, wijze stem. Lees ze. Zet ze naast elkaar.

Ik zou eigenlijk geen stukje schrijven vandaag, want ik moest op pad, maar nu ligt mijn oudste zoon hier ziek op de bank. Dus zodoende. En het is ook nog eens een veel langer stukje dan gewoonlijk. Kan verkeren. Mijn roman heet Bidden en vallen. Als je de stukjes per mail wilt krijgen klik je hier