In de sportschool stond ik op een elektronische trap naar National Geographic Channel te kijken. Beelden van een zeekoe onder water, in een moerasachtig kustgebied. Er straalt enorm veel rust van zo’n dier af. Ze hebben geen natuurlijk vijanden, lijken gewichtsloos. Ze grazen en deinen. De waterrimpelingen werpen een zacht, gefragmenteerd licht over hen heen. Ze hebben een soort oer-kalmte over zich. Kalmte die het resultaat lijkt te zijn van een oer-berusting. Alsof ze erbij waren toen de wereld ontstond en ze ook al kunnen zien hoe de wereld eindigt.

Boven deze zeekoe gebeurde van alles. Mannen in een open sloep deden onderzoek naar hem. Een voice-over vertelde dat hij wordt bedreigd met uitsterven. Hij slikt haakjes en lood van vissers in en hij wordt verminkt door de propellers van motorboten. Toerisme, vervuiling, je weet wel.

Maar eigenlijk, dacht ik, gebeurde er nog veel meer boven hem. Namelijk álles. Geboorte, dood, politiek, oorlog, liefde, orkanen, erosie, explosie, wind, regen, het afwikkelen van de tijd.

Ook ik gebeurde boven hem. Ik, op deze rare machine die steeds nieuwe treden uitspuwde. Ik, met al mijn bekommeringen. Met mijn vergankelijke geest en lijf. Nog geen vlokje as in de open haard maar bij mezelf betrokken als ware ik Alpha & Omega.

Oh, to be the manatee. Met uitsterven bedreigd, zeker, maar alleen als sóórt. Want hij, daar, de solitaire zeekoe, dobbert nog kalmpjes in tevredenheid. Een soort lijdt niet. Een soort heeft geen zenuwstelsel. Daarbij weet de zeekoe dat soorten komen en gaan. Dat alles komt en gaat. De zeekoe denkt daar niet eens meer over na; hij heeft dat soort kleine menselijke angsten allang losgelaten.

Ja, de zeekoe te zijn. Te deinen in dat water – dat water van precies de juiste temperatuur – en dan te vergaan in de modder die op me wacht met open amen, met de kennis en liefde die alleen de eeuwigheid te bieden heeft.

Dagelijks een stukje. Deel ze als je wilt. Ik schreef een roman: Bidden en vallen. Die is te koop.