Ergens in 2016 vroeg dichter/ schrijfster Marieke Rijneveld me of ik een relatie zou kunnen hebben met een schrijfster van wie ik het werk slecht vind. Gisteren werd ik aan dit gesprek herinnerd omdat schrijver Walter van den Berg (och ik ken zo veel schrijvers!) me vertelde dat zijn vriendin bezig is met een roman. Ik vertelde hem over de gewetensvraag van Marieke, waarop hij zei: ‘Gelukkig kan mijn vriendin echt goed schrijven.’

De vraag van Marieke heeft me destijds best even beziggehouden en ook gisteren zat ik er weer op te broeden. Het nobelste, meest romantische antwoord zou natuurlijk zijn: ‘Ja, natuurlijk!’ Als je van elkaar houdt hoef je niet alles wat de ander doet geweldig te vinden. Integendeel: juist als je van elkaar houdt moet je daar eerlijk en volwassen over kunnen zijn. Oké, je vindt haar werk niet goed, misschien zelfs wel slecht, maar je houdt van haar humor, haar warmte, haar aanwezigheid, haar kleine oneffenheden, etc., etc,. etc.

Tot zover de theorie. Nu de praktijk.

Ze is bezig met haar eerste manuscript. Ze werkt er als een bezetene aan. Soms zit je samen te werken, tegelijkertijd, zij aan haar boek en jij aan het jouwe, samen aan tafel. Ze laat je de eerste dingen lezen. Je vindt het niet goed. Het is te simpel, te sentimenteel, te makkelijk. Misschien schrijft ze wel over kindermisbruik, of het overwinnen van kanker. Stilistisch gezien is het karig; op zinsniveau gebeurt niks spannends.

Je bent er eerlijk over. Je ziet dat ze is gekwetst maar het moet kunnen, je bent gewoon eerlijk. En ook zij zegt: ‘Ja, ik wil dat je eerlijk bent.’ Je biedt aan om haar te helpen. Heel even gaat dat goed. Dan merk je dat het geen zin heeft, dat het er gewoon niet inzit. Ze mist dat ene, dat ongrijpbare, dat magische. Ze is geen schrijver. En zij raakt geïrriteerd. Ze haalt haar werk bij je weg, wil niet langer worden afgeleid door de twijfel die je bij haar opwekt. Bovendien besluit ze dat jij ook niet alles weet, en dat zijzelf ook best kan bepalen of het goed is.

De roman wordt geaccepteerd door een uitgever. Ze tekent een contract. Je gaat het samen vieren. Je vindt het oprecht geweldig voor haar. Maar zij weet, en jij weet, dat jij het boek eigenlijk niet goed vindt. Je drinkt wijn bij een diner en je lacht en je proost, maar ondertussen.

Al voor de boekpresentatie heeft ze meerdere interview-aanvragen. De bladen willen weten in hoeverre wat ze schrijft waargebeurd is. Op de boekpresentatie houdt de uitgever een speech. Hoe blij ze met haar zijn. Ze staat daar en ze vangt je blik. Ze ziet je goedbedoelde, maar mistroostige glimlach. Ze slaat haar ogen neer.

Het boek wordt een succes. Ze verkoopt meer exemplaren van dit ene boek dan alle boeken die jij ooit hebt geschreven en nog gaat schrijven bij elkaar. Ze is trots. Ze krijgt brieven van lezers. Maar zij weet wat jij weet, en jij weet wat zij weet, en dat gegeven ligt iedere avond in bed als een rottend kadaver tussen jullie in.

Dan zegt ze het. Voor het eerst. ‘Je bent gewoon jaloers.’ En vervolgens, in een andere context: ‘Sorry, schat, maar blijkbaar vinden ongeveer honderdduizend mensen mij de betere schrijver.’

Er is geen redden aan. Het kan niet.


Deze stukjes per mail ontvangen? KLIK DAN HIER. En deel ze gerust. Boek in aantocht: Wij zeggen hier niet halfbroer.