De mensen vragen me: ‘Henk, leeft Oscar eigenlijk nog? Je schrijft zo weinig over hem.’

Of nou ja, ‘de mensen’… Het is me laatst één keer gevraagd, maar blijkbaar is dat alle motivatie die ik nodig heb.

Hij is inmiddels een centimeter of vijfentwintig lang. Dat lijkt langer dan het is; de helft is staart. Als het goed is wordt hij nog twee keer zo groot. Ik hoop nog groter. Hoe groter de draak, hoe beter.

Enkele weken geleden is zijn nieuwe en definitieve huis bezorgd: een op maat gemaakt terrarium van honderdtwintig breed, vijftig hoog en vijftig diep. Extra dik glas, een extra breed ventilatierooster, gefreesde handvatten in de glazen schuifdeuren, drie lampenfittingen en driehonderd-fucking-vijftig euro. Alles voor Oscar, mijn derde kind, mijn beste vriend, mijn enige gezelschap op de dagen dat ik mijn zoontjes niet heb. 

Ik leer hem steeds beter kennen. Zijn nukken. Zijn honger. Zijn ritme en zijn heerlijke tempo. Och, zijn tempo. Als de warmtespot en de UV-B lampen aanspringen blijft hij nog een uur in zijn schuilplaats liggen. Dan, tergend langzaam, pootje voor pootje, zijn bloed nog koud, zijn metabolisme nog sluimerend, kruipt hij naar zijn rots onder de warmtelamp. Daar gaat hij een uur of twee zitten opwarmen. Ik loop voorbij voor ontbijt, voor koffie, om naar de wc te gaan. Dan loert hij naar me. Wat kom ik doen? Heb ik kwade of goede bedoelingen? Wie bén ik eigenlijk? Dingen die ik mezelf ook afvraag.

Hele uren zit hij op die rots. Toch lijkt hij zich niet te vervelen. Hij oogt zelfs – hoe zal ik het zeggen – actief. Het zitten ís zijn bezigheid. Er is niets meer dat hij moet, niets meer dat hij wil. Mensen volgen daar dure meditatiecursussen voor en toch lukt het ze nooit.

Oscar lijkt eigenhandig de aard van de tijd te veranderen. Als ik zit te werken en hij zit zo op die rots dan zijn de uren zowel langer als korter. Een uur betekent niks voor Oscar. En als ik zit te werken, als ik werkelijk mijn geest in de stroom van woorden ben verloren, dan betekent een uur ook niks voor mij. We zitten dan een beetje in dezelfde tijdloze werkelijkheid, hij en ik. Hij stimuleert dat ook, alsof hij het me wil leren.

Mijn ex vindt hem alleen leuk als hij niet vervelt. Vervellen is voor hemzelf ook niet leuk. Het is zijn that time of the month. Hij ligt veel in zijn schuilplaats, wil niet dat ik hem aanraak. Zijn kleur vervaagt, hij schuurt zijn huid langs de rots. Volgens mij heeft hij zelfs liever niet dat ik naar hem kijk, zeker niet als de vellen echt van zijn lijf hangen. Maar daarna is hij als herboren. Het bruin scherp afgetekend, het oranje fel en helder, zijn kop fier en zijn bek klaar voor moord. 

Mijn goede vriendin Lisa vindt hem wel leuk als ik vertel over het fruit dat hij eet, maar niet als ik vertel over de krekels, larven en sprinkhanen. En net als mijn ex lijkt ze zich ergens overheen te moeten zetten om hem überhaupt een kans te geven. Dat is in mijn ervaring vaker zo met reptielen en vrouwen. Misschien is het de leerachtige huid, misschien de koudbloedigheid. Misschien is er de angst – diep en onbewust – dat ze naar binnen willen kruipen?

Ook al is hij nog niet volgroeid, hij eet nu al de grootste maat sprinkhanen, die soms bijna drie centimeter lang zijn en al vleugels hebben. Hij rent erachteraan. Soms vliegen ze een stuk; dan pakt hij ze als ze landen. Zo’n beest is te groot voor één hap; hij moet ze naar binnen schrokken. Soms ligt er naderhand een druppel bruin bloed. Of een pootje. Dat ruim ik op terwijl Oscar sceptisch naar me loert. (Over het morele aspect van het voeren van krekels en sprinkhanen schreef ik al eerder voor Trouw, te vinden op Blendle.)  

Tam is hij nog niet, maar we werken eraan. Hij laat zich steeds makkelijker vastpakken. Ik zet hem op tafel en voer hem daar wormen uit de hand. Soms doe ik hem in een teiltje met warm water. Een paar dagen geleden zat ik met hem in de zon, in de tuin. Dezelfde zon als waar zijn neven en nichten in Australië onder liggen. Hij sloot zijn ogen en ontspande zijn lijf, maar toen hoorde hij de hommels en bijen. Zijn kopje volgde het geluid, zijn oogjes loerden. Hij was vergeten dat ik er was, vergeten dat hij op mijn buik zat. Gedurende één of twee seconden was ik ook hem vergeten, en waren wij één.


Deze stukjes automatisch in je mailbox? Klik hier. Mijn laatste boek heet Wij zeggen hier niet halfbroer.