Ik heb een verschrikkelijke fout begaan. Het is allemaal de schuld van tv-presentator Dennis Weening, met wie ik meeliftte voor Volkskrant Magazine. Hij ging krekels kopen voor zijn panterkameleon. Ik kwam bij hem thuis en zag die kameleon, zag zijn enthousiasme. Ik ging met hem naar de vissen- en reptielenspeciaalzaak in Den Haag. De man van de winkel zette een baardagaam op m’n arm (pogona vitticeps, of in het Engels: bearded dragon). Hij legde uit hoe gemakkelijk ze te houden zijn, hoe tam ze kunnen worden. 

Met mijn oudste zoon reed ik zaterdag naar een speciaalzaak in Dordrecht. Daar kochten we Oscar. Ik hield mezelf voor: Dit doe ik voor mijn zoontjes. Huichelaar!

Nu zit ik hier te typen en kan ik hem zien, in zijn terrarium. Hij ligt te zonnen op een stuk hout, onder de warmtelamp. Bij me op tafel liggen de twee poezen van m’n ex. Ook zij kijken naar Oscar, gefrustreerd, hun staarten zwiepend. Dat ene laagje glas! miauwen ze. Als dat ene laagje glas er toch niet tussen zat!

Oscar is zeven weken oud. Een centimeter of tien groot, inclusief staart. Over een jaar is hij vijftig centimeter. Hij is nog wantrouwend, rent weg voor mijn hand. Hij eet krekels. Minder dol op meelwormen. Gisteren at hij een blaadje veldsla.

Sinds zijn komst ben ik onrustig en voel ik me slecht. Als kind had ik ook reptielen. Die gingen dood. Daarna heb ik gezworen nooit meer iets in en kooi te zullen houden. Zéker geen exotische dieren. Ik schrijf hier zelfs over in Wij zeggen hier niet halfbroer. Over de kleine groene grasslang die ik dood mee de tuin in nam, om hem te begraven. Als je dat boek straks leest, en je weet dat ik nu thuis een hagedis uit de woestijn van Australië heb zitten (in Nederland geboren, maar toch), dan neem je dat hele boek niet meer serieus.

Toch weer gedaan. Waaróm? Ik slaap slecht. Eindeloos pieker ik over Oscar. Over hoe ik het beste de krekels kan voeren zonder dat ik ze overal in huis heb. Over zijn kleine ribben, en of ik die niet kneus of breek als ik hem vastpak. Over hem vastpakken, wat hij niet wil maar waar hij wel aan kan en moet wennen. In het donker van mijn slaapkamer denk ik aan hem in het donker van het terrarium, met zijn oogjes gesloten en zijn ziel en bestaansrecht in de Australian outback. Een gevangene in Stratum, Eindhoven. Als ik naar hem kijk houdt hij zijn kopje scheef en loert hij naar me met ogen die een doorkijkluik zijn naar een wereld waar ik geen plaats in heb, naar dinosaurussen, naar draken. De beschuldiging: Wat doe je met me? Ik hoor hier niet. Het is verkeerd, het is fout. Wat als de stroom uitvalt? Hij kan niet tegen kou. Wat als hij ontsnapt en verdwijnt tussen de spleten in de oude houten vloer?

Ik denk aldoor aan Oscar. Werken komt er niet meer van. Zometeen ga ik een voederpincet kopen. Belangrijk. En wasmotten, want die schijnen ze heel lekker te vinden. Daarna ga ik verder met me zorgen om hem maken. 


Je abonneren op deze stukjes kan hier