Maandagavond zat ik in m’n eentje op de bank To Rome With Love van Woody Allen te kijken toen ik m’n oudste zoontje hoorde roepen. Ik zette de film op pauze en liep naar boven. Hij huilde in het donker. Diep verdriet. 

‘Wat is er?’ 

‘Ik mis onze groene auto,’ snikte hij. Hij had het over onze oude, gare Citroën ZX, die we een paar maanden geleden naar de sloop hebben gebracht. 

‘Waarom?’ vroeg ik. ‘Onze nieuwe auto kan veel meer. Elektrische ramen, mooiere lampjes, en veel meer vakjes om iets in op te bergen.’

‘Maar ik mis onze groene auto…’ 

Het huilen was diep en oprecht en ik was moe en brak. De dag en nacht ervoor had ik op Paaspop doorgebracht. Ik moest er voorlezen. Ging niet goed. Er werd doorheen gepraat, de tent was te groot, de sfeer te kil. Terwijl ik op het podium stond zag ik mensen de zaal verlaten. Het rotgevoel bleef tot en met de volgende dag bij me. 

‘Ik ben echt heel verdrietig,’ zei m’n mannetje. En ik begreep hem. Ik begreep hem zo goed dat ik zijn verdriet ineens ook zelf voelde. Het gemis van dingen die zijn verdwenen. Het verstrijken van de tijd. Hoe alles vergaat, verandert, nooit meer terugkomt. Ik dacht: hier begint melancholie. Het heeft hem gevonden. Amper zes jaar oud. En de rest van zijn leven zal het hem blijven bezoeken. 

En terwijl ik daar zo stond, naast zijn bed, realiseerde ik me hoe groot deze gevoelens waren. Zo veel groter en warmer en fundamenteler dan gekrenkte trots en een deuk in je zelfvertrouwen. Ik dacht: stom optreden. Ik dacht: we zijn allemaal zo prachtig verloren. 

Ik zei: ‘Ga maar gewoon slapen, stinkerd.’

En die film was trouwens nog best goed. Sinds lange tijd weer een leuke Woody Allen. 

(Column in Eindhovens Dagblad)