klein schiphol

Na het overdekte gedeelte van Aviodrome gingen we de regen en de wind in, mijn vader, mijn twee zoontjes en ik. Buiten stonden nog meer vliegtuigen. We keken in de 747, en daarna ook nog in een oud Russisch toestel waarvan mijn vader de naam wist, omdat hij de namen van bijna alle vliegtuigen kent. De nerd.

Maar buiten stond ook een klein gebouw. Een exacte replica van Schiphol, zoals het vroeger was, dus in de tijd van eerste lijnvluchten. Geopend in 1928.

We gingen naar binnen en meteen werd ik overweldigd door het verlangen naar een tijd waarin ik nog niet eens geboren was. Ik zou het bijna heimwee noemen, omdat er ook sprake van herkenning was. Boeken, films. Series als Mad Men

Maar meer nog dan dat. Het was alsof ik een herinnering inliep, en daarbij een idylle. Een ingebeeld verleden. De romantiek van de kleine, warme ruimtes. De vier incheckbalies. De kleine kantoortjes. De postkamer. Geen douanepoortjes, geen klinische grote hal. Geen enkel teken van angst, van dreiging. Alles overzichtelijk, gemoedelijk. 

Ik weet het: het vergif van valse nostalgie, het gevaar van een gefabriceerd verleden waarin alles beter was. Terug naar de fictieve overzichtelijkheid van een geromantiseerd en geïdealiseerd verleden. Het is waar (extreem)rechtse partijen mee flirten en leuren. Alsof je terug kunt. Alsof er een gefixeerd moment in het verleden was dat je als nulpunt kunt aanhouden. Alsof toen alles goed was. In 1928 had je meer kans om neer te storten, vermoed ik, en daarbij kwam Hitler eraan, de man voor wie 1928 al veel te modern en verdorven was. Ook hij wilde terug, en de boel terugdraaien. 

Maar laten we niet doen alsof er twee categorieën mensen zijn: zij die vooruit willen en zij die terug willen. Want iemand die zegt in deze tijd géén nostalgie te kennen naar een tijd van onschuld en overzichtelijkheid is een leugenaar.

Ook ik beschouw mezelf als progressief, maar duw me door de deur van Schiphol anno 1928 en ik ween om vervlogen tijden. Ik snak naar die fictieve idylle als naar een veilig onderkomen. 

Het zit in ieder van ons: terug willen. Als we de imaginaire nostalgie van de anderen afwijzen, het bespotten, dan zullen we hen nooit begrijpen, en in feite ook onszelf niet.


Ik schreef de boeken Bidden en vallen en Wij zeggen hier niet halfbroer. Deze stukjes automatisch per mail? Klik dan hier

haaientanden

Bij een kruispunt stopten twee fietsers. Ze reden voor me, een echtpaar van rond de vijftig. Ik fietste achter hen. Het kruispunt was vrij rustig, niet in het centrum, en er was voldoende zicht op de wegen. Dat ze zouden stoppen had ik niet verwacht, dus ik botste bijna tegen ze aan. Dat ze zouden afremmen, ja, dat had ik wel gedacht, gewoon, om even te kijken of er iets aankwam en een eventuele auto voorbij te laten gaan alvorens weer te versnellen. Maar ze stopten dus. Netjes voor de haaientanden. Ze stapten zelfs af en gingen helemaal naast hun fiets staan. Ze droegen korte broeken, stevige schoenen en een t-shirt. Ik stond achter ze te wachten. Ze zagen dat er niets aankwam en stapten weer op. Iedere handeling was precies dat: een handeling, met aandacht en zorg.

Zodra ik kon racete ik hen voorbij. Ik keek snel nog even naar de man, om te zien wat voor type hij was, en ik ving zijn blik. Hij keek heel kalm en vriendelijk en ontspannen. Hij was echt aan het fietsen. Fietsen was voor hem een bezigheid, iets wat serieus moest worden genomen, zoals iemand anders misschien de pannen en messen serieus neemt bij het koken, of het vrijmaken van de tafel alvorens de grote legpuzzel erop te plaatsen.

Ik schoot hen voorbij. Ik ontweek auto’s, voetgangers, reed door rood. Zoals gewoonlijk. Maar er was nu iets veranderd. Het voelde minder goed. Ik werd me ook bewust van de kleine doseringen stress. Het jachtige, het alert zijn, het risico nemen. De blik die de man me had gegeven had iets inzichtelijk gemaakt en ik kon dat niet meer negeren.

Er schuilt rust in kleine handelingen uitvoeren met aandacht. Zen-monniken wisten dit natuurlijk allang. Ik eigenlijk ook wel.

Het echtpaar stopte omdat ze op een punt kwamen waarop je stopt. Haaientanden. Ze maakten geen afweging, er was niets dat energie vrat, er was geen interne dialoog, er was geen zal ik wel of zal ik niet. Hun geest was vrij.

Vroeger had ik hen saaie burgerlullen genoemd. Braveriken. Meer dood dan levend. Bang en volgzaam. Conformistisch. Nu niet meer. Nu was ik vooral jaloers. 


Deze stukjes automatisch per mail ontvangen? Klik hier. Mijn laatste boek lezen? Het heet Wij zeggen hier niet halfbroer.

labradors in de trein

Op de vierzits naast me in de trein zaten drie vrouwen. Twee van in de twintig, één van in de dertig. Ze kenden elkaar van een universiteit. Beleefd, intelligent, een beetje saai. Of te beleefd om in deze setting het eigen karakter vrij spel te geven, dat kan ook.

Ze praatten over algemene dingen, vakanties, de universiteit, en toen over honden. De vrouw van in de dertig had net een hond genomen. Hoe het ermee ging, vroegen de andere twee. Het gesprek verliep zoals die gesprekken verlopen. 

Maar toen vertelde diezelfde vrouw dat ze had gehoord dat er tegenwoordig veel honden worden gestolen. Bijvoorbeeld bij de supermarkt, als ze buiten staan te wachten. ‘O?’ zei één van de andere twee vrouwen. ‘Ja,’ vervolgde de eerste vrouw. ‘Maar niet om ze door te verkopen aan nieuwe baasjes. Nee, als prooi voor vechthonden. Om ze te trainen. Om ze enthousiast te krijgen over de smaak van bloed, zodat ze beter presteren in de kooi tegen een andere vechthond.’

De andere twee vrouwen waren even stil. ‘Mijn god,’ zei één van de twee toen.

Ook ik was even stil. Dat was ik al, natuurlijk, maar nu misschien ook stil in gedachten. Want waar hun gesprek me eerst met huiselijkheid in slaap had gesust doemde nu ineens dit beeld in mij op. 

Ik zag de labrador op de stoep bij de supermarkt. Vrolijk, vol vertrouwen, een tong uit zijn hijgende bek. Daarna de paar uur in een betegeld achtertuintje zonder planten, een defecte scooter als enige gezelschap. Immer vol vertrouwen. Immer braaf. Daarna het geluid van de achterdeur en de geur van de andere hond. De driftige nagels op de tegels. Het gehijg. De mannenstemmen. Het aanmoedigen.

Ik zag de labrador op het moment dat de andere hond – een bonk spier, zilvergrijs, gecoupeerde oren, brede kaken – kwijlend aanstalten maakte. Ik zag de reflexen. Ik zag de labrador snauwen, grommen, nu helemaal in de hoek van de tuin, bang, opgesloten. Ik kon het niet aanzien, zijn onwennige agressie, zo zinloos en bespottelijk, zo nieuw en onvertrouwd, zo aangelengd met verwarring en angst. Mijn medelijden met gêne doorspekt.

Ik kon ook deze vrouwen niet meer aanzien. Want ook zij waren labradors. Ik zag de angst en paniek in hun ogen, en de groteske en halfhartige reflex om met hun nagels het tij nog te doen keren.

Ik kon natuurlijk opstaan en ergens anders gaan zitten, maar ik vreesde, ik wist… Nog even, en dan zou ik ook mijzelf niet meer kunnen aanzien.


Je gratis abonneren op deze stukjes? Klik hier. Mijn laatste boek kopen? Het heet Wij zeggen hier niet halfbroer.

hoort

Vorige week schreef ik over het eindeloze leed dat vissen en reptielen ondergaan in de zorg van incapabele dierenwinkels en consumenten. Hoe verdrietig dat me maakt.

Zelf heb ik ook een reptiel; de meesten van jullie weten dat inmiddels wel. Onder mijn stukje verschenen reacties. Iedere reactie haalde ik weg – zoals ik bij ieder stukje doe – maar de strekking van verscheidene van die reacties was me niet ontgaan. ‘Dieren horen niet in hokjes.’ Variaties daarop. Exotische dieren horen niet in glazen bakken zitten. Vogels horen niet in een kooi.

Ik vind die reactie altijd fascinerend. De stelligheid ervan. Het woordje ‘horen’. Omdat deze mensen blijkbaar weten wat hoort en wat niet hoort. Mijn eerste vraag is dan altijd: volgens wie? Een dergelijke gedachtegang is in feite theïstisch. Blijkbaar is er een hogere macht die bepaalde regels heeft opgesteld, en het plaatsen van een hagedis in een glazen bak is daar een overtreding van. Vaker redeneren deze mensen vanuit ‘de natuur’. Voor deze personen heeft de natuur een bedoeling, en wij mensen gaan daar steeds tegenin. Sommige dingen zijn ‘onnatuurlijk’. Ik vind het altijd zo indrukwekkend dat deze mensen ook precies weten wat de natuur wel wil en niet wil, en wat wel en wat niet bij de natuur hoort.

Het lijkt me heerlijk om te weten wat wel hoort en wat niet hoort. Al erger je je dan natuurlijk wel steeds aan dingen die je ziet en waarvan je weet dat ze eigenlijk niet horen.

Ik heb het ook heus wel eens. Bijvoorbeeld als ik een biertje opentrek in een vliegtuig dat op tien kilometer hoogte met duizend kilometer per uur door de lucht raast, en bij de stewardess klaag over de ruis in mijn koptelefoon. 

Het luistert heel nauw, maar deze mensen weten het precies. Een kat bezitten hoort geloof ik wel. Dus dat je een tijgerachtig dier aanschaft, daar iedere dag blikken vermalen, doorgefokt vee voor koopt, en dat je hem loslaat in de tuin en vogeltjes laat afmaken. En steeds foto’s van hem op Instagram plaatst.

Wist ik maar wat hoort en wat niet hoort.

Het valt me altijd weer op dat mensen een heel sterke behoefte hebben om dingen te verdelen in natuurlijk en onnatuurlijk. Blijkbaar zijn wij geen natuur. De aarde was een vuurbal, toen een waterbal. Er ontstonden de eerste ééncelligen, de eerste organismen, de eerste dieren. Het één kwam voort uit het ander. Ook wij. Mijn idee is dan: wij kunnen niets anders zijn dan natuur, en alles wat wij doen is natuurlijk. Maar blijkbaar niet. Blijkbaar is er een moment gekomen waarop de natuur zich aan de natuur heeft onttrokken. Blijkbaar kan de natuur ingaan tegen de natuur. Waar gaat het één over in het ander? Dat weet ik niet. Dat weten die mensen.


Ik schreef ook het boek Wij zeggen hier niet halfbroer. Deze stukjes automatisch per mail ontvangen? Klik hier

death by debieltje

Ik had mijn vorige, kleinere terrarium op Marktplaats gezet. Twintig euro. Ik kreeg een berichtje, of ik meer foto’s wilde maken. Daarna werd ik gebeld. Een monotone vrouwenstem. Jonge vrouw. Ik hoorde haar overleggen met haar vader. ‘Dan komme we dèh ding nu wel hoale,’ zei hij.

Ze belden aan, vader en dochter. Allebei waren ze klein en rond, allebei droegen ze een bril, allebei gaven ze een slappe hand. De dochter stond schuin achter haar vader, die een leren jack droeg en zijn autosleutels nog in de hand had, met een Mercedes-hangertje eraan.

‘Dit is de bak,’ zei ik. ‘Heel simpel, heel kaal. Ik kocht hem als startbak voor mijn hagedis. Nu heb ik deze.’ Ik knikte naar het luxe, enorme onderkomen van Oscar. De dochter keek ernaar, zweeg, toonde geen emotie. Ik vroeg: ‘Wat voor dier ga je erin doen?’ Ze mompelde: ‘Een rattenslang.’ Waarop ik zei: ‘Ah, Elaphe Gutatta Gutatta, toch?’ Ze keek me aan, weer zonder emotie.

‘Goed?’ vroeg de vader aan de dochter. De dochter zei: ‘Ja.’ De vader, nu tegen mij: ‘Het zal wel moeten, want we hebben die slang al.’ Ze hadden dus eerst een slang gekocht, en waren toen pas op zoek gegaan naar een goedkoop terrarium. 

Ik hielp de vader met sjouwen. Hij had een Mercedes coupé. Het terrarium paste niet in de achterbak, en zelfs met de stoelen naar voren kregen we hem niet op het potsierlijke, kleine achterbankje. Op de bijrijdersstoel dan maar. Het paste amper, we moesten duwen, de hoeken sneden in de lederen bekleding. Ik hoorde iets kraken en voelde een glassplinter mijn duim ingaan. ‘Wah dèh betreft is zun auto nie heul handig,’ zei de vader, en ik dacht: ‘Wah wah betreft dan wél?’

De dochter wurmde zich op het achterbankje. Ik wist dat de slang het niet zou redden. Dit waren zijn baasjes. 

Toen ik even later de dierenwinkel bezocht voor een doosje sprinkhanen stond er een jongen met een brommerhelm naar een baardagaam te kijken. Een neef van Oscar dus. Toen er een medewerker voorbijliep vroeg de jongen wat voor hagedis het was. Slechts vier vragen later vroeg hij of ze de agaam voor hem apart konden houden. Ook dit dier was ten dode opgeschreven. Ik zoog op de wond waar de glasscherf had gezeten en proefde bloed.

In alle kerken van heel Frankrijk zijn niet genoeg kaarsjes voor alle vissen en reptielen die hun graf vinden in de toiletten van de mens. Wat een vreemde kronkel in de natuur, dat deze dieren niet hun dood vinden omdat we ze willen opeten, maar omdat we debieltjes zijn.


Deze stukjes per mail? Klik hier. Mijn boek lezen? Het heet Wij zeggen hier niet halfbroer.