De geur van diesel en roet; de eerste dag is dat nog charmant en authentiek, maar dan is het gewoon goor. Zoveel uitlaten, zoveel toeters. Regendruppels zuigen de troep in zich op en smeren het uit over de straten en smalle stoepjes. Een stad die niet alleen een beetje misselijk máákt, maar het zelf ook een beetje lijkt te zijn. De markten, waar mannen roepen zoals ze al eeuwen roepen. Nu noemen we ze Sicilianen. Eerder waren het Feniciërs, Noormannen, Moren, Romeinen, Spanjaarden; versmolten tot één caleidoscopisch, vermoeid gezicht. Olie en vlees, vis en fruit, zwerfhonden, balkonnetjes op drie hoog waarop oude vrouwen hun emmers laten zakken. De middeleeuwen, het nieuwe millennium. Meer dan vijfhonderd kerken. Kathedralen belegd met goud. U zult geloven. God de koning, zijn troon zo hoog en oogverblindend dat niemand kan zien of er wel iemand opzit. Een crypte met honderden gemummificeerde doden. Memento mori, bid voor hen en bid voor jezelf; besef dat ook jouw stoffige schedel straks wellicht grimast als een dolle clown op de foto van een toerist met een selfiestick. Manke bedelaars. Straatventers zonder schaamte of trots, hun afgestompte ziel als vuile was in de mand van hun ogen. De kleine straatjes, het heerlijke eten. De ijdelheid, de mannen in pak, de trots. Cosa nostra, ‘ons ding’; ja, dit is ons ding. De kitsch, de grandeur. Zwaardvissen onthoofd en onttroond, hun grote ogen nog glanzend, hun plekje in zee alleen nog maar blauw en koud. Bakken vol inktvissen, levende vissen met gapende kieuwen. Overal de dood, overal het afbrokkelen van samenlevingen. Een eenzame pup jankend in een witte bak bij de dierenwinkel, de eigenaar rokend en lachend in de deuropening. Dit land: eerst van hen en toen van hen en toen van hen. Schepen aan de horizon; daar gaan we weer. De kleine restaurants, de hemelse wijn. Een naderend einde hoorbaar in iedere claxon. Zaaien, oogsten, stropen, nemen, bezetten, vreten, plunderen, bouwen, afbreken, moorden, neuken, bidden, zondigen. Troost en hoop in de schoot van Maria, je centen in de zak van de bisschop. Alles een droom.

Loop een paar dagen rond in deze stad en je begrijpt de wereld. Misschien begrijp je niet waaróm het allemaal gaat zoals het gaat, maar je begrijpt dat het niet anders kan. Snij de geschiedenis open, leg onze ingewanden bloot, ruik Palermo.

Ik was even een midweekje weg met m’n pa. Vandaar de stilte. Nu ben ik er weer. Vandaar dit stukje. Ik schreef een roman: Bidden en vallen.