Er bestaat een Persoon X. Daar ben ik achtergekomen. Persoon X maakt ons het leven moeilijk, al zo lang als we ons kunnen herinneren.

Persoon X heeft vele gezichten en is man of vrouw. Soms zelfs een dier. Heel soms zelfs een ding. Persoon X verschijnt op momenten dat je het toch al moeilijk hebt. Dat maakt Persoon X zo’n klootzak/ kutwijf. En daarom blijft Persoon X ook buiten schot en is Persoon X zelden echt aan te wijzen, omdat we tijdelijk zijn verdwaasd door het bloed dat kookt achter onze ogen.

De grootste kans om Persoon X tegen te komen heb je in het verkeer. Laatst zat ik met haast in de auto. Ik moest mijn jongens van school halen en was al te laat. Bovendien zat ik in de knoop met deadlines. Ik reed langs een auto die stond geparkeerd, met de kont naar mij toe, en die ineens achteruit reed. Een vrouw achter het stuur. Ze zag me, remde, en reed toen nog vérder achteruit. Omdat ze dacht dat ik wel zou stoppen? Voorrang zou verlenen? Haar verontschuldigend glimlachende gezicht herkende ik niet, maar ik wist met wie ik te maken had: Persoon X. Voor de zoveelste keer. En dus werd ik boos op haar, alsof zij het was die gedurende mijn leven ook alle ándere stomme fouten in het verkeer had gemaakt. Wat dus ook zo was. Want het was Persoon X.

Twee dagen geleden fietste ik naast een BMW’tje. Die moest rechtsaf en nam de bocht zo scherp dat er geen ruimte meer voor mij was. Ik moest de stoep op. ‘Hé, mongool!’ riep ik, en probeerde hem nog in te halen. Om wat te doen? Vechten? Misschien. Ik was woedend. Want dit was nu al de zoveelste keer dat hij in het verkeer, in mijn nabijheid, een domme, lompe actie uithaalde. Nee, zijn gezicht had ik nooit eerder gezien, maar ik wist dondersgoed wie het was.

Naarmate je je meer bewust wordt van persoon X, ga je ook steeds vaker zien dat ánderen last van Persoon X hebben. Sommigen zien geen halfuur voorbijgaan zonder weer eens in de weg gezeten te worden door Persoon X. Voor hen is het leven niet leuk meer. In de trein, laatst, zag ik een man die werd gevraagd om zijn vervoersbewijs. ‘Is nu al de tweede keer deze reis!’ zei hij, gefrustreerd en verontwaardigd. Had hij weer! Ik zag de blik in zijn ogen, hoe hij naar de conducteur keek, en ik zag dat hij te maken had met persoon X, die hem nu ook al de trein in had gevolgd.

Toen we stopten op Eindhoven CS stond ik met dezelfde man in het halletje om uit te stappen. Hij drukte op de knop, maar de deuren gingen niet open. De trein moest eerst nog worden gekoppeld, maar dat wist hij niet, of wilde hij niet weten. Hij bleef op de knop drukken en schopte tegen de deur. Hij vloekte. Iets met ‘kanker’ en ‘NS’ en ‘het zal eens niet’. Persoon X zat achter het stuur van de trein, Persoon X liep op het perron. Persoon X wás de trein. Persoon X was overal.

In de supermarkt, bij de kassa, stond een man achter me. De klant voor me had een product zonder streepjescode. De cassière moest even bellen. De man schudde zijn hoofd en zuchtte. ‘Natuurlijk,’ zei hij. Hij lachte er cynisch bij. Omdat hij het gewoon niet kon geloven. Dat Persoon X het ook nu weer op hem had gemunt. 


Ik verstuur de stukjes gratis als nieuwsbrief. Abonneer je hier. Mijn laatste boek heet Wij zeggen hier niet halfbroer.