Het eerste wat Maxim Hartman deed toen we elkaar zagen in het gebouw van de NOS was me complimenteren met mijn fysieke voorkomen. Met mijn lichaam, maar ook met de combinatie van mijn longsleeve en mijn vest. Je weet bij Maxim soms niet of hij je voor de gek houdt of dat hij het meent. Ik ken hem inmiddels een beetje. (Ik ken hem natuurlijk al sinds mijn kindertijd, als Rembo, maar dat is anders.) Dit meende hij. Hij heeft een heerlijk soort eerlijkheid. Schaamteloos, in de goede zin van het woord. Bijna kinderlijk. Vervolgens moest ik aan zijn biceps voelen, die inderdaad behoorlijk hard en groot waren.

We zaten aan een tafel met broodjes, gele donuts en microfoons. Een radiostudio van NPO1. Het programma heette Family Time. Maxim en ik waren te gast, en er was ook een kinderpsycholoog die pas drie weken geleden van haar man te horen heeft gekregen dat hij haar gaat verlaten. We gingen praten over kinderen en iPads en telefoons en hoe daarmee om te gaan, etcetera, etcetera. Ik weet nog steeds niet waarom ik dit soort dingen soms wel en soms niet toezeg. Ik heb nu m’n boek natuurlijk, en dat wil ik onder de aandacht brengen. Ook leek het me gewoon leuk, met Maxim. Niettemin voelde ik me weer een beetje een publiciteitshoer.

Het rode licht ging aan. (Rood licht op de Wallen, rood licht in de radiostudio.) De opname was begonnen. Ik was redelijk ontspannen. Blijkbaar kun je eraan wennen, aan dit soort dingen. Weet niet of dat een goed teken is.  

Maxim was Maxim. Ik zat naast hem. Ik zag het gebeuren: hij speelde Maxim. Hij wás Maxim en hij spéélde Maxim. Hij was recalcitrant en brutaal. Hij nam een stelling in en verdedigde die woest. Hij was onredelijk. ‘Je gelooft dit zelf helemaal niet,’ zei ik. ‘Je gelooft zelf helemaal niet wat je zegt.’ Het leuke is dat als je zoiets zegt tegen Maxim, dat je dan een piepklein glimlachje op zijn gezicht ziet verschijnen. Hij weet heel goed waarom ze hem vragen. Zij vragen, hij draait. Je kunt zeggen: Maxim is een onecht persoon. Maar ik zie het niet zo. Als ik naar hem kijk en ik zie die brutale pretoogjes, dan weet ik dat hij gewoon lol heeft, dat hij het allemaal niet zo serieus neemt. Een beetje als een sketch van R&R.

Bovendien: ook ik schiet misschien al in een rol. Misschien is dat punt al bereikt. Dat ik daar ga zitten en dat ik dan Henk speel, onder die rode lamp.


Ik schreef Wij zeggen hier niet halfbroer, een heel goed boek volgens iedereen die ertoe doet. Je abonneren op deze stukjes? Klik hier