Ik lees Roofstaat van Ewald Vanvught. Een dik boek over onze koloniale geschiedenis. Wat iedere Nederlander moet weten, is de subtitel. Daar ben ik het absoluut mee eens. Laat het maar verplichte kost op middelbare scholen zijn.

Het was gruwelijk. De rooftochten overzee. Het platbranden, massamoorden, martelen, bedriegen en stelen. De slavernij. Goedgepraat met kletskoek over inferieure volkeren, heidenen, etc. Wij hadden God aan onze zijde. God en buskruit.

Het is een dik, zwaar boek. En als je niet uitkijkt komt het zwaar op je geweten te liggen. Dat was mijn eerste reflex. Een soort slecht-voelen over mezelf. In mijn hoofd was de subtitel Waar iedere Nederlander zich schuldig over moet voelen.

Dit gevoel sluimerde onder de oppervlakte. Ik werd me er pas van bewust toen ik las over de Nederlanders die al destijds over de barbaarse methoden van de VOC expliciet hun afkeer en walging uitspraken. Pas toen besefte ik dat ik me, automatisch, aldoor had geïdentificeerd met die brute kapiteins en hun doodseskaders. Waarom? Omdat ik mezelf in hen herkende? Omdat ik in mezelf een moordenaar, platbrander en rover zie? Nee, ik geloof het niet (al kan geen mens dat van zichzelf weten tot het moment daar is). Nee, ik denk dat het voortkwam uit compensatie. Het was zo verschrikkelijk, wat er toen in de naam van God en vaderland (en vooral geld) is gedaan, dat het minste wat ik kon doen me er schuldig over voelen was, alsof het mijn voorvaderen waren, of zelfs alsof ík het was.

Op dat besef volgde een gevoel van bevrijding. Want waarom zou ik me niet mogen identificeren met de Nederlanders die zich er tegen uitspraken? Die er ook toen al van walgden? Waarom mogen zíj mijn voorvaderen niet zijn?      

Wat iedere Nederlander moet weten. Het is precies zoals het er staat. Zoals iedere Duitser moet weten over de holocaust. Er niet van wegkijken, het niet mooier maken dan het is. Inzien dat een standbeeld voor de Scheepsjongens van Bontekoe in feite nogal onsmakelijk is. (Maar ook begrijpelijk? Gezien de perceptie zoals die eeuwenlang is geweest?) Dat soort dingen.

Maar wat nu… Stel… Dat ik toch óók ontzag heb voor die mannen op die schepen? Op een houten vaartuig de woeste oceanen opgaan. Eilanden in de mist zien liggen. De wereld verkennen. Scheurbuik, schipbreuk. Weten dat de kans groot is dat je niet levend huiswaarts zal keren. Wat nu als mijn grote walging naast ontzag bestaat? En wat nu als ik denk dat het ook een kwestie van omstandigheden was? Religie, welvaart, politiek. Dat het evengoed de volkeren van daar geweest hadden kunnen zijn die óns kwamen plunderen en vermoorden? Want mensen zijn mensen, en overál zijn mensen in staat om te excelleren in het kwaad. 

Het zijn maar mijmeringen, dit. Maar terwijl ik ze opschrijf voel ik de neiging om onder de tafel te kruipen. Om wat er komen gaat. Want het lijkt niet meer te mogen. Mijmeren, aarzelen, niet-weten, niet-vinden. Je wordt meteen een kamp ingetrokken of door een kamp uitgescholden. Er lijkt geen marge voor twijfelen meer te bestaan. Je moet partij kiezen. Er wordt je geen ruimte gegund om tot inkeer te komen, om eerlijk te zeggen dat je aan dingen twijfelt, dat je dingen voelt. Ik kijk op Twitter (ja, slecht idee, ik weet het) en zie met verbazing hoe alle mensen het daar lijken te wéten. Wat racisme is en wat niet. Wie fout is en wie niet. De stelligheid! Het is een slachtveld. Als hyena’s staan ze klaar om elkaar te bespringen en aan stukken te scheuren. Laatst zag ik zelfs een journalist die een willekeurige foto van een (al even rancuneuze) schrijver had gegoogled, waarop de schrijver in gezelschap zat te eten, om te laten zien dat diegene in een witte wereld leefde. Vijandigheid. Tegenover elkaar staan met ontblote, druipende tanden. De ander steeds verder een kamp induwen, en daarmee jezelf in een ander kamp. 

Verbazing. Want ben ik dan de enige die het niet precies weet? Die soms niet meer weet wie waar gelijk in heeft? Die onvrijwillig een beetje meebuigt met ieder goed geschreven opiniestuk? En is het nog mogelijk om iets te zeggen dat misschien niet klopt? Dat de ander dat vervolgens zónder agressie of dédain probeert weerleggen, en niet meteen de complete persoon afserveert? Is het nog mogelijk om een goed mens achter een slechte mening te zien?

Het is een mijnenveld. Ik merk dat ik daarom vaak maar liever niets meer zeg, liever geen twijfel of voorzichtige mening meer uit. Omdat ieders eerste reflex vijandigheid lijkt te zijn geworden.


Mijn zelfopgelegde woordlimiet ernstig overschreden, dit keer. Maar goed. Afgelopen zaterdag verscheen op De Correspondent mijn verhaal over de briljante en enigmatische videomaker/ producer Teemong. Je kunt je op deze stukjes abonneren. Mijn roman heet Bidden en vallen