Man heeft fantasieën over hond. Man ziet zichzelf en hond voor zich. Gezelschap, frisse neus. Vrienden. Man koopt hond.

Hond wordt geboren. Hond is pup. Hond is hond. Hond geen idee. Tepel, vacht, stoeien, honger. Hond wordt gekocht.

Man en hond in huis. Man: ‘Leuk, schattig.’ Hond: leuk, honger, moet poepen.

Man laat hond uit. Eerst viermaal daags, lang. Dan driemaal daags, kort.

Hond piept bij deur, moet plassen. Man net voor tv. Man staat op. Man: ‘Schiet op dan.’ Man klikt riem aan halsband. Man trekt hond ruw mee als hond even snuffelt aan boom.

Regen: man moet met hond naar buiten. Kou: man moet met hond naar buiten. Voetbal op tv: man moet met hond naar buiten.

Hond: leuk, bang, leuk, bang, leuk, poepen, honger.

Man geeft hond brokken. Hond eet brokken. Man zucht. Man ververst water te weinig. Water troebel. Man veegt hondenhaar van bank. Man stofzuigt, boos, dat het alweer moet. Hond ligt in mand en kijkt naar man, houdt koest, houdt van man.

Hond poept op stoep. Man geen plastic zakje. Man vloekt. ‘Kon je het niet ophouden?’ Man rukt aan riem, trekt hond mee. Hond piept. Poep dampt.

‘Kom,’ zegt man. Hond komt niet. Hond snuffelt. Hond betoverd door geur. Man rukt aan riem. Hond piept. ‘Dan had je maar meteen moeten komen.’ Man ook andere dingen te doen. Man ook werk.

Man op bank. Bijna bed. Hond bij deur. Regen. Man snel met hond naar buiten. Hond plast. Man keert om. Nacht: hond poept in huiskamer. Ochtend: man boos. ‘Je had kunnen poepen, ik heb je uitgelaten.’

Man op veldje met hond. Sigaret. Hond los. Hond vrij. Hond rent. Tong uit mond. Man moe. Man kucht. Sigaret op. Man ziet hond rennen. Man kijkt op horloge. Man: ‘Kom.’ Hond komt niet. Opnieuw: ‘Kom.’ Man boos. Gonzende woede. Man zoveel voor hond gedaan. Man altijd met hond bezig. Man nu toch ook op veldje? Hond niet redelijk.


Deze stukjes automatisch per mail ontvangen? Klik hier. Afgelopen dinsdag verscheen Wij zeggen hier niet halfbroer.