Mijn fiets is kapot dus neem ik de bus van station Eindhoven naar huis. Ik kom ergens vandaan, waarschijnlijk van Amsterdam of zo, en ik ben moe. Niet moe, maar wat de Engelstaligen spent noemen.  

In de bus zit een man of tien. Ik heb m’n telefoon in m’n handen. Geen idee waarom. Ik zit iets te verversen. Mijn twitterfeed of zo. Of Instagram. Verversen, verversen; misschien komt er ineens iets tevoorschijn dat mijn leven zal veranderen, dat me in een soort achtbaan naar het paradijs zal sturen. Of anders misschien een nieuwe like.

Om me heen zitten alle anderen ook met hun telefoon in de hand. Alleen een jongen voor me niet. Hij heeft een Rubik’s cube. Geen app van een Rubik’s cube, maar een echte, fysieke. Alles aan zijn uiterlijk is simpel, praktisch. Hij is halverwege de twintig en ik vermoed dat hij nooit in zijn leven een ander kapsel heeft overwogen. Geen lelijke jongen. Integendeel; hij is lang en heeft een glad, ernstig gezicht. Hij draait en draait aan de kubus, zijn focus onverdeeld. Geen telefoon in zicht.

Ik kijk naar hem. Hoe langer ik naar hem kijk, hoe tragischer ik mezelf vind. 

Dan zie ik een meisje zitten. Schuin voor me, aan de andere kant van het gangpad. Och, zo mooi. Speelse, eigenzinnige intelligentie in haar ogen. Ogen die, als ze mij zien, zullen zien wie ik echt ben, me zullen willen. Ze zullen naar me kijken met een mengeling van bewondering en mededogen.

Maar ook zij kijkt nu naar de jongen. Haar telefoon komt lager en lager te hangen, tot ze hem naast zich neerlegt. Ook zij is ontwaakt; alle andere passagiers kijken nog op hun telefoon.

Ik kijk afwisselend naar haar en naar de jongen. Zij kijkt alleen naar de jongen. De jongen kijkt alleen naar de kubus. In haar ogen zie ik de bewondering. Dezelfde bewondering als die ik voor hem koester. Maar als zij en ik die bewondering delen, zijn wij dan niet perfect voor elkaar?

Een halte voor de halte waar ik eruit moet drukt ze op de rode knop. Ik ga ook snel staan; dat laatste stukje kan ik best lopen. Misschien lopen we dadelijk dezelfde kant op. Als dat het geval, besluit ik, dan zal ik haar aanspreken. Ik ga iets zeggen over die jongen en de kubus. Over hoe wonderlijk mooi dat was.

We stappen uit. Ze loopt de andere kant op. De bus vertrekt. Ik zie de jongen zitten. Hij kijkt niet op van zijn kubus. Nog even en hij is klaar. Alle zijden netjes één kleur.

Ik loop naar huis. De blauwe regen in mijn achtertuin heeft ook één kleur. Daar ga ik zometeen dan maar onder zitten.  


Deze stukjes schrijf ik zonder opdrachtgever. Ik verdien er niks mee. Als je me toch financieel wilt steunen kun je dat doen door mijn boek Wij zeggen hier niet halfbroer af te rekenen. Het boek krijg je er dan gratis bij. Abonneren op deze stukjes kan hier