Het kan gebeuren. Eén boek dat alles omgooit. Een roman die in één klap je relatie met de literatuur verandert. Ik heb het nu over Light Years van James Salter, een boek dat deint en schittert als een zee onder de zon. Ze noemen hem een writer’s writer. Zelfs een writer’s writer’s writer. Zijn finesse valt dus vooral zijn collega’s op. Zij zien wat hij kan en buigen nederig hun hoofd. Ik ben blij dat ik hem leerde kennen vóór de doorbraak. Ter verduidelijking: de man is achtentachtig jaar oud. Er zaten meer dan drie decennia tussen zijn nieuwe roman (All That Is) en die daarvoor.

image

Toch wordt hij hier nu pas echt ontdekt. Grote stukken in zowel de Volkskrant als de NRC. De massa heeft hem gevonden. Daar baal ik een beetje van. Heel kinderachtig. Zo was ik ook als jonge punker al: wanneer een band te groot werd moest ik er niets meer van weten. Blijkbaar ben ik die kleingeestigheid nog niet ontgroeid. Of nou ja, ik keer Salter heus niet de rug toe. Ik ben dus wel íets volwassener geworden. Maar dat ik het jammer vind, tja, dat is nu eenmaal zo. Het wordt overigens nog sneuer, want ook ík heb Salter pas ontdekt tijdens deze laatste golf van aandacht. Ik bestelde Light Years toen er een prachtig stuk over de auteur in The New Yorker stond. Dat was de eerste aanzwelling van de golf. Ik ben dus net als alle anderen een laggard (iemand van de grote groep allerlaatste instappers). Voordeel is wel dat ik zo’n beetje al zijn boeken nog te lezen heb. Dat is trouwens een voordeel én een nadeel. Want als je hem leest wordt het schrijven er niet makkelijker op. Ik zei het al: de lat ligt ineens hoger. Je moet bijna recht omhoog kijken als je ’m wilt zien.