Weer een stukje dat Wij zeggen hier niet halfbroer niet heeft gehaald.

Zo rond mijn zestiende, laten we zeggen in de drugsperiode, ik denk vlak nadat ik The Doors of Perception van Aldous Huxley had gelezen, kochten twee vrienden en ik een grote San Pedro cactus. De San Pedro bevat de psychoactieve stof mescaline.

De ouders van één van die twee vrienden waren een hele dag niet thuis. Die tijd hadden we ook nodig, want het bereiden van die drank kost uren. In laten koken, water erbij, in laten koken, water erbij, etc. De drank is smeriger dan je je kunt voorstellen. Althans voor een zestienjarige; de bitterheid van een medicijn ga ja pas waarderen als je wat ouder bent.

We dronken het – kokhalzend – in de huiskamer. Daarna fietsten we naar het station, waar we een trein naar de Veluwe namen. Het zou pas na een uur of twee gaan werken. ‘Voel jij al wat?’ ‘Ik denk het wel. Jij?’ ‘Ik denk het wel. Jij?’

Eenmaal in de bossen bereikte het de piek. Die was helaas niet zo sterk. Of ik bedoel hoog. Een piek is hoog of laag. Nee, een piek is nooit laag. Of wel? Kan dat, een lage piek?

Hoe dan ook. Ook in het boek schrijf ik over deze dag, maar dan over de mierenhoop waarop ik bleek te zitten. Enorme rode mieren beten me in mijn benen en billen. Ik dacht dat het de boom was waar ik tegenaan zat, dat die met me communiceerde, zijn pijn met me wilde delen. Duurde even voor ik het doorhad.

Wat niet in het boek staat is dat we ineens overal felgekleurde blaadjes vonden. Bloemblaadjes. Maar ze hadden zulke felle kleuren – paars, groen, blauw, rood – en een dusdanig vreemde textuur – als rubber – dat we niet snapten waar ze vandaan kwamen. We raapten ze op, bekeken ze, betastten ze en verwonderden ons. En toen het raarste: als we erin knepen kwam er spul uit, een soort vloeistof, dezelfde kleur als de blaadjes. ‘Van welke plant komt dit?!’ ‘Waar komt dit vandaan?!’ We giechelden, onze ogen groot.

Ik weet niet meer wie het toen riep. ‘Het zijn paintball-kogels!’ Dat was inderdaad wat het waren. Gebruikte balletjes van een potje paintball. Onze hersenen hervonden hun geconditioneerde referentiekaders.

Het einde van het sprookje, van de magie. Wat net nog tropische bloemblaadjes in een Hollands bos waren geweest, waren nu kapotgeschoten plastic balletjes met verf.

Maar weet je wat nu het mooie is? Het maakt niet uit. Het is allebei even wonderlijk. Want of het nu een storm was geweest die tropische bloemen uit de Amazone hierheen had geblazen, of mensen – voortgekomen uit de oerknal, bacteriën, eencelligen, wormen, apen – die plastic balletjes op elkaar hadden geschoten…

We doen dat graag: het bestaan opdelen in wonderlijk en niet wonderlijk. Maar of álles is wonderlijk of níéts is wonderlijk. 


Deze stukjes automatisch per mail? Klik hier. En klik hier voor een nieuwe, beetje rare recensie van WZHNH.