Ochtend. Een suffig, generiek broodzaakje in de stad. Twee kassa’s, een eigen plekje om broodjes af te bakken en te beleggen, een vitrine. Twee meisjes, eentje bij de kassa’s, eentje bij de broodjes. Bedrijfskleding: een schort, een shirt met logo, een hoedje. Het meisje bij de broodjes snijdt een tomaat. Op dat moment verschijnt de bedrijfsleider. Een flinke man, jaar of dertig, overhemd in een net iets te wijde broek van Dickies, grote sleutelbos aan riemlusje.

Whazzup,’ zegt hij.

Whassuuuuup,’ zegt het meisje bij de broodjes, en meteen daarna: ‘It’s ya boy!

En mijn maag draait om. Want het lukt ze niet. Het klopt niet. En ze voelen het. Zijn whazzup was een poging tot vlot zijn, de leuke bedrijfsleider zijn. Hij heeft geen idee waarom hij het precies zegt, of waar het vandaan komt; zijn brein voert hem allerlei populair-culturele associaties. Het meisje slaat erop aan. Whassuuuuup. It’s ya boy! Ook dat komt uit een tv-serie, of film, of uit de hiphopcultuur. Het is ironie, maar ook weer niet; ze weten het zelf ook niet precies. Ze proberen het leuk te houden, en luchtig. Maar het slaat direct dood en de stilte die erop volgt is verschrikkelijk.

De bedrijfsleider gaat bij de kassa staan en tikt op het computerscherm. Hij trekt zijn te wijde broek omhoog. Het andere meisje staat zwijgen naast hem. Het meisje bij de broodjes begint te zingen, maar ook nu weer een beetje voor de grap, zodat één van de andere twee erop aan kan slaan. Haar hoedje zit te hoog op haar hoofd. De werkdag is pas net begonnen. 

Hun poging tot toenadering, erkenning, ontwapening. Het is begrijpelijk, en prima, en menselijk. Maar ik voel alles. Hun ongemak is mijn ongemak. Hun dissonantie, de asynchroniteit van hun dans. Het komt allemaal veel te hard bij me binnen. Ik wil het niet zien, niet voelen, maar ik sta machteloos.

Ik ben de Atlas van de gêne; ik draag alle gêne van de wereld op mijn schouders.

Voilà, het stukje van donderdag. Je kunt hem delen, als je wilt, met de knoppen hieronder. Een heel assortiment aan knoppen, zoals je ziet. Mijn roman heet Bidden en vallen. En o ja, gisteren ontmoette ik Jan-Peter Balkenende. Maar dat is weer een heel ander verhaal.