Ik had een schnabbel in het bedrijfsleven. Een forum. Die schnabbels heb ik wel vaker. Van boeken kun je nu eenmaal niet makkelijk rondkomen, zeker niet als de dombo’s van een grote literatuurprijs je roman niet eens op hun longlist plaatsen. (Ook Schuld van Walter van den Berg ontbreekt. Het is een gotspe.)

Het chagrijn daarover nam ik mee naar die schnabbel. Het was daarbij bloedheet; ik droeg een lange broek en een overhemd met lange mouwen; al die hoge piefen waren in pak. Bovendien kwam ik net van vier avonden ambitieus drinken met m’n pa en m’n ex in een Belgisch bungalowpark, gevolgd door een nacht slaap op Oxazepam, waarin ik een gruwelijke nachtmerrie had: ik werd wakker in mijn eigen bed en werd bij m’n polsen gegrepen. Onzichtbare handen, of klauwen, grepen me vast en drukten me tegen mijn matras. Ik kon zweren dat ik wakker was. Het leek uren aan te houden. 

Bij de ontvangst stond ik in m’n eentje aan een hoge tafel. Aan andere tafels stonden groepjes van drie, vier oudere mannen. Ik keek op mijn telefoon, ook al was daar niets op te zien. Eén van de mannen kwam bij me staan. Hij keek vriendelijk naar me, met warme ogen, zijn gezicht met zweet bepareld; één van de oudste mannen daar aanwezig. Hij vroeg me naar mijn bedrijf, waarop ik hem moest uitleggen dat ik niet één van hen was. ‘Ik ben journalist,’ zei ik, waarop hij vroeg in welke krant het artikel geplaatst zou gaan worden. ‘Nee, nee, nee,’ stamelde ik. ‘Ik kom iets schrijven voor jullie, en dat draag ik dan voor, ook aan jullie.’

Vervolgens vroeg ik hem wat híj dan deed. Hij vertelde over het bankwezen waarin hij werkzaam was geweest, en over de deal tussen KLM en Air France, waar ik niets van begreep maar waar ik wel heel beleefd bij knikte. Hij had het zelf ook in de gaten, dat hij er te diep op inging, maar blijven vertellen was te verkiezen boven de stilte die ons als een beest dreigde te bespringen. Daarbij gunde ik hem mijn interesse; hij was de enige die me had zien staan en was als enige naar me toegekomen. 

Tijdens het forum – een spreker, een groot scherm, naast iedere stoel een flesje water – zat ik een paar rijen achter hem. Halverwege draaide hij zich naar me om en vroeg: ‘Komt het goed?’ De airco had het zweet op zijn gezicht doen opdrogen. Weer zag ik die kwetsbaarheid en die warmte in zijn blik. Hij deed me denken aan een opa met spijt. Spijt van iets groots, waar hij waarschijnlijk minder aan had kunnen doen dan hij zelf dacht. Nu greep hij iedere kans aan om barmhartig te zijn, en oprechte interesse en liefde te tonen.

‘Het komt zeker goed,’ antwoordde ik, en baadde in het licht van zijn glimlach. Mijn zenuwen ineens gekalmeerd. Ook die longlist kon me niets meer schelen. Ik dacht terug aan het monster met de vele klauwen dat me op bed had vastgepind en wist zeker dat dergelijke monsters hier niet tegen bestand zijn. Dat ze verschroeien in het licht van mannen als deze.


Deze stukjes per mail? Klik hier. Mijn roman heet Bidden en vallen