Ik weet niet of het een teken des tijds is, maar mensen lezen al snel ergens een mening in. Ze lezen iets en zoeken naar de mening. Niet de betekenis, maar de mening. Er móét een mening zijn. Dat maakt het lastig om een stukje te schrijven zonder mening maar mét betekenis.

Een tijdje geleden schreef ik dit stukje. Ik zit in de trein als er wordt omgeroepen dat er bedelaars actief zijn. Op het stukje kreeg ik enkele reacties waarin mensen hún mening over bedelaars gaven, of ingingen op mijn mening over bedelaars, die ik helemaal niet had, althans niet in dat stukje. Ander voorbeeld. Een paar dagen geleden schreef ik dit stukje. Verkouden en katerig van de Oxazepam loop ik een homeopathiewinkel binnen. Vervolgens waren er reacties van mensen die uitgesproken wel of geen voorstander waren van homeopathie. Terwijl mijn stukje daar helemaal niet over ging.

En dat is oké. Als je gelaagde literatuur schrijft kun je onmogelijk het gevoel dat je tracht te verwoorden op alle lezers overbrengen. Sommigen gaan het punt missen, of het verkeerd interpreteren. Daar ontkom je niet aan. En dat hoort ook zo. ‘Het is niet alleen het lot van de schrijver om verkeerd begrepen te worden,’ schreef Ivo Victoria. ‘Het is zijn verdomde plicht.’

Meestal accepteer ik het dan ook gewoon (zij het met enige irritatie), zoals bij de stukjes die ik zojuist aanhaalde. Ik vermoed bovendien dat 80% van mijn lezers heel goed doorheeft dat die stukjes ergens anders over gingen.

Alleen gisteren leek de verhouding ineens even zoek. Ik schreef over een moment bij een rood stoplicht, op de fiets, naast een bellende vrouw op een scooter. Opnieuw zullen de meesten het begrepen hebben, maar onder de 20% die het verkeerd interpreteerde liepen de gemoederen hoog op. Zij lazen in mijn stukje een mening.

De mening dat ik die vrouw haat vanuit voor mij gegronde redenen. Dat ik denk werkelijk te kunnen weten of die vrouw lui en asociaal is. Dat ik mezelf beter vind dan haar. Dat ik haar stom vind omdat ze dik is.

Die interpretatie zorgde voor twee soorten reacties. De eerste soort was vol afschuw. Hoe durfde ik zo over iemand te oordelen, iemand zo af te zeiken. ‘Makkelijk om iemand met z’n allen zo uit te lachen,’ twitterde iemand. De tweede soort betrof gejoel en lofzang. ‘Ik haat die types ook! Je hebt gelijk! Ik erger me ook kapot aan ze!’ De tweede soort – het leedvermaak – vond ik erger dan de eerste, geloof ik. Het gaf me het gevoel een groep ingetrokken te worden waar ik helemaal niet bij wil horen.

‘Een stukje is pas goed als de juiste mensen het verkeerd begrijpen,’ zei schrijver Barry Smit tegen me. Dat is misschien zo, maar toch zat dit me dwars. Misschien is het ijdelheid; dat ik het niet kan verkroppen als mensen me zien als iemand die wijst, pest en uitlacht.

En dus – tegen mijn, Ivo’s en Barry’s principes in – ga ik mijn stukje toelichten. (Bliksem! Donderslag!)

Dat ik die vrouw niet ken, en dus ook niet over haar kan oordelen, is helemaal waar. Ik hoopte eigenlijk dat dat evident zou zijn. En natuurlijk is wat zij doet – bellen en scooterrijden – niet erger dan de oorlogsmisdaden begaan door Assad. Ook weet ik niet of ze dik is omdat ze nooit fietst; misschien was haar fietsband lek en kon ze die dag niet anders dan de scooter van haar broer lenen. Nogmaals: al die dingen leken mij evident. Het stukje gaat er juist over dat een mens – ik, jullie, wij allemaal – soms een plotselinge, diepe, irrationele, onterechte, ongefundeerde haat kunnen voelen jegens een vreemde. We projecteren onze grotere ongenoegens op hen. In dit geval hing ik de complete Westerse decadentie en neiging tot zelfdestructie op aan een bellende vrouw op een stinkende scooter. Ik hoopte – maar dat is blijkbaar niet helemaal gelukt – dat het stukje vooral míjn feilbaarheid zou laten zien, en niet de hare. In feite gaan al mijn stukjes over mijn – en ik hoop onze – menselijkheid.

Haat is geen mening. Haat is een emotie. Soms is die chronisch, soms heel tijdelijk, heel kort, heel fel. Ik baseer er geen mening op. Althans, dat probeer ik niet te doen.

Een goede vriendin van me zei tegen me: ‘Je kunt die verkeerde interpretatie niet alleen op de lezer afschuiven. Dat is te makkelijk.’ Met andere woorden: ook ik heb een verantwoordelijkheid. En daar had ze gelijk in. Zeker bij een stukje als dat van gisteren; iemand kan het lezen, het verkeerd interpreteren, het leedvermaak in de reacties lezen en zich enorm gekwetst voelen. In dat geval kan ik mijn handen niet wassen in onschuld. Of beter gezegd: dat wil ik niet.

Zijn we weer vriendjes nu?


Deze stukjes per mail krijgen? Klik hier. En vooruit, op de valreep dan toch nog een mening: ondanks alles vind ik dat gemotoriseerde scooters verboden moeten worden. Zo!