Ze staat naast me bij het rode stoplicht. Begin dertig, denk ik. De motor van haar scooter draait stationair, de uitlaat spuugt stinkende rook. Ze draagt een strakke broek. Haar benen zijn rond en vlezig. Haar kont wordt geplet door haar eigen gewicht en puilt uit aan de zijkanten. Ze zit te bellen.

Ik haat haar. De gezapigheid en gemakzucht in haar ogen. De stupide achteloosheid waarmee ze in die telefoon praat. Haar totale gebrek aan schaamte. De geur van haar scooter, het giftige gas dat tussen de fietsers hangt. Haar luiheid. Met haar dikke reet op haar scooter. De veronachtzaming. Haar vadsige, ongezonde lijf. Haar stroperige, trage bloed. De afwezigheid van besef. Haar monotone stemgeluid. De vage focus van haar ogen terwijl ze praat tegen, ik denk, haar vriend, die ik ook haat.

Ik wil de telefoon uit haar handen slaan. Ik wil de schok in haar ogen zien als ik dat doe. Het besef zien indalen: dat er ook nog een wereld is om haar heen. Ik wil hard in de uitpuilende rol vet van haar kont knijpen. Ik wil haar scooter uitzetten en het sleuteltje heel ver weg gooien. Ik wil een foto van haar maken en die op posterformaat door de stad hangen, voorzien van koeienletters: GOD, RED ONS.

Ik heb op dit moment, hier en nu, meer moeite met deze vrouw dan met Trump, of Poetin, of Assad.

Het licht springt op groen. Ze trekt trager op dan de fietsers. Haar motortje begint te werken, draait op hoge toeren, zoemt op de frequentie van een mug. De uitlaat spuwt meer rook. Na een tijdje komt ze op snelheid en wurmt ze zich ongeduldig tussen de fietsers in, om hen in te halen. Die irritante, trage fietsers, die haar in de weg zitten. De telefoon nog aan haar oor. Haar zelfingenomen onverzettelijkheid als een aambeeld dat de diepte instort, en waar we allemaal aan vastzitten.


Jullie ook goeiemorgen. Deze stukjes per mail ontvangen? Klik HIER. Mijn roman: Bidden en vallen