Na het thaiboksen werd ik aangesproken. Ik had me net omgekleed en liep al naar de uitgang toe. De spartaanse sporthal koud, mijn hoofd stomend, mijn oren heet van al het clinchen.

Een jongen van een jaar of vijfentwintig riep: ‘Hé, jij bent toch die schrijver?’ Hij had net gebokst of crossfit gedaan of zo, want van het thaiboksen kende ik hem niet.

Er gebeurde wat er altijd gebeurt wanneer iemand me aanspreekt op mijn schrijverschap. Mijn eerste gevoel is gêne. Omdat ik de reactie overdreven vind. Omdat het allemaal wel meevalt. En zo iemand, zo’n reactie, trekt aandacht. Mensen – omstanders – kijken verwachtingsvol op. Wie is dat dan? En dan blijken ze me niet te kennen, en is er eigenlijk niets bijzonders te zien, en ben ik een teleurstelling, en wil ik bijna roepen: ‘Ja, dat weet ik zelf ook wel! Ik ben er zelf ook niet over begonnen hè!’

Dat gevoel van gêne en naaktheid zorgt ervoor dat ik overdreven achteloos reageer. Of erger nog: dat ik de ander – degene met het plotse enthousiasme – het idee geef dat hij iets stoms doet. Een besmuikt en misschien wel hooghartig glimlachje op mijn gezicht moet laten zien dat ik het ludiek vind. In feite laat ik hem vallen en hoop ik dat als er íémand hier belachelijk overkomt, dat hij het dan is.

Dit keer was de situatie nog pijnlijker. Want hij wist A.) niet meer hoe ik heette en had B.) mijn roman Smet gelezen (2010). Een roman waar ik me blijkbaar voor schaam, misschien omdat hij amper is gerecenseerd of gelezen en misschien ook niet zo heel goed is. Dus toen hij riep ‘Hé, jij bent toch die schrijver? Ik heb Smet gelezen!’ was het alsof iemand riep: ‘Hé, ben jij laatst niet gearresteerd voor potloodventen op de groenteafdeling van de Lidl?’

Hij wilde een selfie van ons maken. Dit alles gebeurde in een tijdsbestek van een paar seconden. Alle factoren voor mijn gebruikelijke reactie waren aanwezig. 

Maar. Ik deed het niet. Ik voelde de golf van gêne en ongemak, stapte ernaast en liet haar zonder mij verder rollen. Ik deed niet hooghartig. Ik nam zijn enthousiasme voor wat het was. Ik was blij met het compliment. Ik lachte hartelijk op de selfie. En toen hij me daarna vroeg: ‘Hoe heet je nou ook alweer?’, toen antwoordde ik: ‘Henk van Straten.’

Het was alsof ik de naam voor het eerst uitsprak.


Je op deze stukjes abonneren? Klik hier. Mijn (nieuwste) roman heet Bidden en vallen.