(Ter referentie: lees eerst de column onder deze.)

Zo rond mijn veertiende fietste ik ’s nachts door een parkje. Ik was stoned. Er werd naar me geroepen, ergens achter me. Er bleek een groep jongens te zitten. Ze haalden me in. Eén van hen kwam voor me staan en vroeg waarom ik hem had uitgescholden. ‘Dat deed ik niet,’ zei ik, en werd toen tegen de grond geslagen. Een ander reed toen het voorwiel van zijn snorfiets over mijn arm. Hij keek me daarbij aan, en grijnsde. De waas van de wiet maakte het nog beangstigender, een nachtmerrie.  

Het waren Marokkanen.  

Ik heb daarna heel lang wraakfantasieën gekoesterd. Dat ik in de struiken lag met geweer en telescoopvizier. Ik voelde me vernederd, bang, woedend. Een tijdje daarna ben ik begonnen met boksen; de volgende keer zou ik terugvechten.

Ik haatte hen. Die gasten. Hun petjes en maniertjes. Hun accent. Iedereen die op hen leek haatte ik. Noem het maar type straatmarokkaan. Ik weigerde nog onderscheid te maken of één van hen het voordeel van de twijfel te geven; het incident was het ernstigste, maar niet het eerste geweest. Mijn woede ging zo diep. Ik was jong en verward en bang. Als ik in het geheim een knop had kunnen indrukken die alle Marokkanen in Nederland zouden vervagen had ik hem ingedrukt.

Langzaam maar zeker kwam mijn relativeringsvermogen terug, kon mijn hart zich weer openen, zag ik weer dat mensen mensen zijn, dat alles te maken heeft met oorzaak en gevolg, dat we allemaal hetzelfde geboren worden. 

Het is niet makkelijk om dergelijke woede los te laten, om die niet definitief je wereldbeeld te doen verduisteren, om geen fanaticus te worden.

Ik wil niet zeggen dat ik het weet. Ik wil niet zeggen dat je nooit de correlatie tussen afkomst, cultuur, sociaal-economische situatie en maatschappelijke problemen mag onderzoeken en benoemen. Ik wéét niet hoe het allemaal moet, of hoe het allemaal werkt, of wat wijsheid is. Streng maar rechtvaardig, misschien, of is dat een te groot cliché? 

Ik wil niet in een kamp worden getrokken, bondgenoot van een clubje worden gemaakt. Als ik een stukje schrijf over Umar, waarbij ik vooral schrik van de harde toon en wat die in mijn ogen voor consequenties kan hebben, betekent het niet dat ik vind dat ze kapot moet, of inherent slecht is. Ik zit niet ineens in jouw clubje, vecht niet ineens mee aan jouw front. Dus flikker op met je kwetsende tweets over haar uiterlijk of persoon, aan mij gericht. Hyena’s. Van jullie haat walg ik net goed als van die van haar. Ik ben niet op zoek naar polemiek, of ophef, of stellingname. 

Ik weet niet wat ik wil zeggen. Misschien dat een gesloten, verbolgen hart nooit goed is. Nooit, nooit, nooit.

Mijn zoontje roept me net. Ik verzin dit niet. Hij lag te tekenen in bed. Twee poppetjes, allebei met een vlag boven hun hoofd. (Uit de kleuren kon ik niet direct de bijbehorende landen afleiden.) En allebei met een tekstwolkje: ‘Sorry.’ Mijn zoon lichtte toe: ‘Ze voerden oorlog maar ze zijn ermee gestopt, want in een oorlog gaan mensen dood.’ Ja, ik hoor je cynische gnuif. Kinderlijk naïef, natuurlijk. Maar als je zo helemaal niet meer kunt denken, als er in jouw ogen een groep mensen is die inherent slecht is, als je je hart niet meer kunt openen, als je iedere afwijkende mening alleen nog maar kunt zien als aanval, de wereld alleen nog maar ziet als strijdveld, als je geen tekstwolkje met ‘sorry’ boven je hoofd meer kunt zien, dan kun je niet meer winnen. Ook jóúw strijd kun je dan niet meer winnen. Want dan héb je straks die rare, eenzijdige vrijheid van je bevochten, en dan ben je dood van binnen.

Deze column is ruim twee keer langer dan de lengte die ze van me zijn mogen (300 woorden). Het wordt geen gewoonte. Fijne kerstdagen. Tot maandag.