Gisteren voelde ik ineens kriebel in m’n keel. Die kriebel werd keelpijn. Het duurde even voor het besef was ingezonken. Woensdag 6 juli – redelijk zonnig, redelijk warm – lijkt een vreemde dag om verkouden te worden. Alsof het virus zich had vergist. Alsof ik tegen het virus kon zeggen: ‘Euh, pardon?’ en dat het zich dan verontschuldigend zou terugtrekken.

Toen ik mijn jongens bij hun respectievelijke vriendjes had opgehaald en met ze naar huis reed parkeerde ik nog even snel bij de slijterij voor een fles whisky.

De notie dat whisky helpt tegen keelpijn of verkoudheid is een romantische, folkloristische. Misschien zelfs een masculiene of machistische. In ieder geval is er, lijkt me, geen serieuze arts te vinden, en geen empirisch onderzoek, dat zal stellen dat whisky daadwerkelijk helpt tegen keelpijn en verkoudheid. Sterker nog: drink er te veel van – en die kans is groot, want de roes doet de keelpijn vergeten – en je brengt je weerstand alleen maar schade toe.

Toch kocht ik whisky. Onderschat nooit de kracht van romantiek, folklore en traditie; de overtuigingskracht van de generaties voor jou. 

Het geld voor een dure single malt had ik niet, maar ik wilde ook geen smaakloos spul als Red Label of Famous Grouse kopen; de smaakbeleving is onderdeel van de ingebeelde heilzame werking. Ik koos een onbekende, jonge, Schotse blend van 19,99. Firean. (Pronounced ‘Fir-ee-an’, Gaelic for golden eagle.)

Ik dronk ervan tijdens het koken. Rokerig en zwaar voor de prijs en leeftijd. Ik was trots op mezelf.

Mijn jongens keken tv. Of beter: lagen voor de tv te vechten. Van de opwinding. De volgende dag – vandaag – zouden ze op schoolreisje gaan.

Toen ik even bij ze ging kijken vroegen ze of ik met ze kwam stoeien. Ik stond daar ouwelijk met m’n glaasje whisky en zei nee. Een norse vader met kwaaltjes.

’s Avonds lag ik in bed. Mijn zoontjes ook, van mij gescheiden door een dunne wand. Een beetje koortsig lag ik te lezen en van mijn gouden arend te nippen. Sláinte mhath: geniet er rustig van. Mijn oudste kon niet slapen en kwam bij me binnen. Een laatste omhelzing. Hij zal de whisky op mijn adem hebben geroken. En zo, besefte ik, werd er weer een beeld en een geur toegevoegd aan de caleidoscoop die later de herinnering aan zijn vader zal zijn. Een man in een éénpersoonsbed, met een boek, en de geur van whisky. Een verlengstuk van zichzelf. Tegelijkertijd een volslagen vreemde.


Ik maak je er een laatste maal op attent: mijn Nachtzoen (EO/ IKON) van afgelopen maandagnacht kun je HIER terugkijken. Deze stukjes verstuur ik ook als nieuwsbrief. Mijn roman heet Bidden en vallen