Mijn zoontje Diek had een ouder vriendje gemaakt in de speeltuin. Het vriendje heette Angelo en hij droeg een shirt van een voetbalclub. Diek deelde zijn chips met Angelo en Angelo deelde zijn snoep met Diek. De volgende dag gingen we naar dezelfde speeltuin toe en was ook Angelo er weer. Maar vandaag had Angelo een ander vriendje bij zich, even oud en net zo stoer als hij, of misschien nog wel stoerder. Ze stonden lomp te doen bij de zandbak, gooiden met zand en spetterde met water, maakten vechtbewegingen. Diek zat aan de rand van de zandbak, speelde wat met zand, hoopte dat ze hem zouden opmerken. ‘Kom op!’ riep Angelo naar zijn vriendje. ‘Naar de schommel!’ Diek ging ook staan en riep: ‘Ja!’ Hij rende met ze mee, maar hij was slechts hun schaduw. Angelo keek hem niet één keer aan. Toen die gastjes zo renden, Diek vlak achter hen, keek ik naar hem, naar mijn zoon. Ik zag zijn gezicht. Ik zag een soort flinterdunne vanzelfsprekendheid en besefte dat wanneer hij een jaar ouder is, hij zich in deze situatie zal schamen. Hij zal zich klein en stom voelen. Nu voelde ik die dingen vóór hem. In zijn plaats. In mijn hart. Ik wilde opstaan en het rechtzetten. Maar wat dan? Wat kon ik rechtzetten? Er was niks dat ik kon doen. Ik was machteloos. Een machteloze vader. En ik wist dat ik daaraan zou moeten wennen. Alles glipt door mijn vingers heen. Zelfs mijn zoon.