A life with wonder is wonderful. Dit lees ik op de bloemenvaas op de salontafel in de wachtkamer van de Chinese acupuncturist. Op de bank tegenover me zitten twee oude mensen te glimlachen. Achter de balie is een vrouw in gesprek met een cliënt, een vrouw met lang grijs haar. ‘Kon je wel contact maken met de pijn in je benen?’ vraagt de vrouw achter de balie. Achter haar staat een muurkast gevuld met kruiden in glazen potten.

Ik ben hier vanwege een schouderblessure die niet overgaat, opgelopen tijdens het thaiboksen. Ik had geïnformeerd: tot tweehonderd euro ben ik verzekerd voor alternatieve geneeswijzen.

In de spreekkamer zit ik tegenover de Chinese dokter. Hij glimlacht veel. Ik moet mijn tong laten zien. Hij fronst zodra hij die ziet. Ook maakt hij er een foto van. Slechts de helft van wat hij zegt versta ik. Waarom ik hier ben, wil hij weten. Ik vertel over de schouder. Maar ik besluit dat ik, nu ik hier toch ben, hem ook ga vertellen over mijn buikproblemen. Mijn darmen. Ik kamp er jaren mee en het wordt erger. De reguliere geneeskunde kan niks vinden. De dokter knikt en stelt vragen. Na een paar minuten weet hij al genoeg. Waarschijnlijk wist hij al genoeg toen hij mijn tong zag. De behandeling zal bestaan uit acupunctuur en kruiden. Ik voel hoop. Deze dokter zal me redden.

‘Gisteren kreeg ik een recensie en die was heel goed,’ vertel ik, op mijn zij, op een massagetafel, in mijn onderbroek. De dokter zet warmtelampen aan. ‘Maar op de voorpagina hadden ze mijn naam verkeerd gespeld. Dat begrijp ik dan gewoon echt niet. En weet u wat het stomme is, dokter? De irritatie om die verkeerd gespelde naam weegt zwaarder dan de blijdschap om de goede recensie! En weet u, die recensie, die vertelt eigenlijk gewoon de waarheid. Een goed boek een goed boek noemen, dat is als een banaan een banaan noemen. Moet ik daar zo blij om zijn? Nee, weet u, de recensie die ik wil krijgen, waar ík blij van word, waar ik naar snak, die kan een mens me helemaal niet geven. Die recensie moet van God komen. De hemel moet openen, God moet zich aan me vertonen en hij moet zeggen: ‘Henk! Jij hebt een perfect – ik bedoel PERFECT – boek geschreven’. Pas dán zal ik zeggen: ‘Heerlijk, deze recensie.’ Pas dán zal ik zonder scepsis en gêne felicitaties op Facebook accepteren. Pas als mensen zeggen: ‘Ik las de recensie die je kreeg van God. Wauw. Gefeliciteerd, man!’

De dokter zet naalden in mijn schouder. In mijn rug. In mijn benen. ‘Jij zit helemaal vast,’ zegt hij. Ik knik, ik weet het. De naalden doen pijn. De spieren waarin ze zitten kan ik nu niet meer bewegen. ‘Vanavond krijg ik een journalist over vloer, dokter,’ zeg ik. ‘Dat is ook weer zoiets. Ik heb daar helemaal geen zin in. Hoezo heb ik daar geen zin zin in? Hij komt helemaal voor me uit Amsterdam! Ik wil toch zo graag succes? Nou, dat ziet er zo uit, met interviews en aandacht! Maar ik zucht erbij, dokter. Ik vind het nu al allemaal te veel. Ik heb de neiging om nú al cynisch en vermoeid te doen. En dan ben ik nog lang geen Kluun of Saskia Noort hè! Qua media-verplichtingen, bedoel ik. Ook niet qua boeken, natuurlijk, maar daar heb ik het nu niet over. Dat zijweggetje ga ik nu niet in, dokter. Wat ik wil zeggen is: die mensen moeten honderd keer meer interviews doen.’

De dokter knikt instemmend. ‘Jij heel gespannen,’ zegt hij. Hij steekt naalden in mijn wangen en in mijn voorhoofd.

‘Ja,’ zeg ik. ‘Heel gespannen. Altijd, dokter. En dan die darmen. En nu die blessure. En dan ook nog dat boek dat-’ Die laatste zin kan ik niet afmaken; de dokter steekt twee naalden in mijn bovenlip.

Dan laat hij me alleen. Twintig minuten moet ik zo blijven liggen, alleen in dat kamertje, in mijn onderbroek, verlamd door die naalden, in stilte, in de echo van mijn bespottelijke wanhoop. De hoop dat dit me zal redden. Het vermoeden van niet.


Je kunt je HIER op deze stukjes abonneren. Wij zeggen hier niet halfbroer verschijnt aanstaande dinsdag.