Mijn drie oudere broers en ik gingen een dagje varen op de Vecht. Mijn oom woont daar ergens; we mochten zijn bootje meenemen. Eigenlijk zijn mijn broers mijn halfbroers, maar dat leg ik allemaal nog wel uit in het boek dat ik aan het schrijven ben: Wij zeggen hier niet halfbroer. Als ze er negatief in worden beschreven dan zal er tzt nog zo’n boottochtje worden georganiseerd, vermoed ik, waarbij zij dan ook vuilniszakken, touw en zware stenen zullen meenemen. 

Het heeft iets moois, varen. Je kunt geen kant op en toch ben je onderweg. Dus je kunt lekker praten, zonder het gevoel te hebben dat het moet, omdat je ook gewoon bezig bent. Beetje oriënteren, beetje vissen, broodje smeren.

Er was zon en we hadden biertjes. Mijn oudste broer stond aan het roer. We moesten handmatig een sluis openzetten. Er was één laag brugje waarbij met z’n vieren voorin moesten gaan zitten, zodat ons gewicht de punt ver genoeg naar beneden zou drukken. Er moest een beetje worden overlegd, er moest een beetje worden nagedacht. 

Reiger, fuut, eend.

Vrouwen. Niet daar, maar in woord. Onze huwelijken, past or present. Het gezin. Het gaat ons niet makkelijk af, daarover praten, maar het motortje van de boot leek ook ons gesprek voort te duwen.

Gin-Tonics op de lounge-stoelen van een duur zaakje aan de kade. Echtparen aan de witte wijn, grote zonnebrillen. Ik liep naar binnen om te plassen; ze keken naar mijn slordige baard, capuchon en tatoeages en vroegen of ze me ergens mee konden helpen.

Eind van de middag, aangemeerd. Mijn middelste broer wilde nog wat vissen vanaf de kant. Hij zette de lijn uit en kwam bier drinken. Na een tijdje ging hij kijken en had hij een piepklein voorntje gevangen. Hij verwijderde de haak en liet hem vrij, maar even later kwam de voorn boven zwemmen, akelig traag en suf, en dreef toen op zijn zij. We stonden er met z’n vieren naar te kijken. Mijn broer pakte hem uit het water, sloeg hem met zijn kop tegen de steiger en wierp hem tussen de waterplanten. Daarna gingen we weer bier drinken.

Voor me op tafel kwam een poes liggen. Ik aaide haar. Ze knorde, kon door haar genot haar lijf niet stil houden. Toen ik was gestopt met aaien had ze nog stuiptrekkingen, als een vrouw na een hevig orgasme. De namiddagzon wierp haar in een goud licht, en in dat licht zag ik ook mijn broers, en mijn oom, en hoorde ik ze praten, en even was het alsof ik het me allemaal al herinnerde.

Soms is alles wezenlijk. Soms kun je geen slokje van je bier nemen zonder het gevoel te hebben dat je er de kern van het bestaan mee blootlegt.  


Ik verstuur mijn stukjes ook als nieuwsbrief. Abonneer je HIER. Het boek waaraan ik werk verschijnt, als alles goed gaat, voorjaar 2017. Mijn roman heet Bidden en vallen.