De Mercedes stond buiten op me te wachten. Ik kwam van een lezing in Haarlem en moest naar een radiostudio in Hilversum. Zonder taxi had ik het nooit op tijd gered. De taxichauffeur stond naast de Mercedes. Het was een AMG-uitvoering. De Mercedes, bedoel ik. Dat betekent dattie teringhard kan. Ik nam me voor om onderweg de chauffeur te vragen of hij het pedaal een keer helemaal wilde indrukken.

Een kerel van een jaar of veertig. Paar jaar ouder dan ik. Hij vroeg me wat ik ging doen en of ik schrijver was en hoe zoiets in z’n werk gaat. Hoe je een boek schrijft. Ik wilde antwoorden: Druk dat pedaal in, maar ik legde uit: je hebt een idee voor een verhaal, dat zie je voor je, en dan probeer je met een hele reeks zinnen in de buurt van dat ingebeelde verhaal te komen. Hij knikte. Hij begreep het helemaal. Hij was eigenlijk DJ. Een zaal vol mensen in beweging brengen, in extase brengen, dat vergde hetzelfde inbeeldingsvermogen. Hij wierp een paar korte blikken op me, op mijn tatoeages, op mijn gezicht. ‘Hoe oud ben je, als ik vragen mag?’ ‘Zevenendertig.’ ‘Kun je leven van het schrijven?’ Ik knikte. ‘Wat goed.’

We zwegen. Ik ken die stilte. Het is een stilte tussen mannen. Een stilte die de ordening omlijnt, aftekent, pijnlijk maakt. Wij waren allebei artiesten – ik een schrijver, hij een DJ – maar het universum had bepaald dat hij de chauffeur was en ik degene die door hem werd rondgereden. ‘Ik ben blij dat ik niet alleen DJ ben,’ zei hij. ‘Ik moet er niet aan denken dat het leven uit niets anders dan DJ’en bestaat.’ Ik knikte. ‘Ja, snap ik.’ Ik wist dat ik hem niet zou vragen om een keer plankgas te geven.

Het programma was pas rond elf uur afgelopen, dus opnieuw kreeg ik een taxi aangeboden. Van Hilversum naar Eindhoven. Deze man was ouder. Wel een Mercedes, geen AMG. Hij vroeg me om het adres. Dat gaf ik hem. ‘Waar in Eindhoven is dat?’ vroeg hij. ‘Stratum, maar u kunt de straatnaam toch gewoon invoeren in het navigatiesysteem?’ Hij staarde recht voor zich uit. ‘Ja, doe ik ook.’ En toen: ‘Stratum is Zuid-Eindhoven, toch?’ Hij wilde het zelf doen, zelf bepalen. Het navigeren zonder hulpmiddelen gaf zijn werk gewicht, maakte het eervol.

De rit verliep in stilte. Dit keer zat ik achterin. Het gladde leer van de achterbank, de semi-nieuw-geur die in iedere taxi hangt, de comfortabele afmetingen van de Mercedes, de radiogeluiden waarvan je nooit zeker weet of de chauffeur er nou wel of niet naar luistert. Al die uren achter dat stuur, de eindeloze stroom gedachten, het vacuüm van het compartiment, het chassis. Honderdtwintig kilometer per uur en toch roerloos. ‘Niet in slaap vallen,’ zei ik voor de deur van mijn huis, moe en opgelaten. ‘Nee joh,’ zei de chauffeur. ‘Ik ben pas net aan mijn dienst begonnen.’

Er is een taxi-universum, parallel aan het onze. Het bestaat altijd. In feite is het één wereld, maar die wereld is verdeeld over alle taxi’s.


Aanstaande zaterdagavond ben ik in Utrecht. Pas verschenen: Wij zeggen hier niet halfbroer. Je abonneren op deze stukjes? Klik hier