Alle geweld, alle wreedheid. Het vliegtuig in Oekraïne, de slachtingen door ISIS, het conflict tussen Gaza en Israel. Het komt allemaal voorbij op Twitter. Nieuwsberichten, en meningen, en sneren, en verdriet, en verontwaardiging. Veel mensen lijken precies te weten wat ze ervan vinden, wat er gedaan moet worden. Ze weten wie laf is, wie dom, wie respectloos, wie harteloos. Ze wijzen met vingers, ook naar elkaar. Ik kijk ernaar. Ik zie het allemaal voorbij komen. Ik zie die kwetterende kolom naar beneden zakken als een hete, lange drol uit een digitale anus. 

En ik? Ik tweet over een film die ik zag. (Her van Spike Jonze. Mooi.) Ik weet niet wat ik anders moet. Het is niet dat ik het niet erg vind wat er gebeurt. Maar wat kan ik zeggen? ‘Ik vind het erg’? ‘Het moorden moet stoppen!’? Al het andere wordt al gezegd en geroepen. En ik weet eigenlijk niet eens met welke tweets ik het eens ben, behalve met ‘Ik vind het erg’… Ik begrijp de wereld niet. Niet echt.

Wanneer ik dan toch iets heb getypt, bijvoorbeeld over de Yezidi’s die zijn omsingeld op die berg in Irak, dan zweeft mijn cursor een tijdje boven de verzendknop alvorens het hele bericht weg te gooien.

Ik spreek me niet uit. Ik spreek me nergens tégen uit. Ik zwijg. Zij die zwegen, zij die niets zeiden. Een zeker type mens zal me onherroepelijk laf noemen. Maar wat kan ik dan zeggen? ‘Die stomme kut-ISIS!’? ‘Israel gaat nu echt te ver!’? Het zijn holle frasen, althans voor mij. Alles heeft redenen, alles heeft oorzaken. Ik woon te ver weg. Ik heb geen idee. Ik kan niets roepen. Mijn stem stokt.

Ondertussen maakt het me allemaal onrustig en verdrietig. Ik weet niet wat ik ermee moet. Met alle ellende. Ik leef hier en de zon schijnt. Het verdriet is ook zo weer weg. De duisternis vreet aan me, vanbinnen, maar even later denk ik er niet aan.

Gisteravond stond ik mijn slaapshirt aan te trekken toen mijn vrouw vanuit het bed, met haar mobiel in de hand, aan me vroeg waarom er in Irak niet gewoon ingegrepen kan worden? Ik haalde mijn schouders op. ‘Tja…,’ zei ik. Ik moet er onverschillig uit hebben gezien. Zo gaan die dingen. En het erge is, dat denk ik ergens ook echt: Zo gaan die dingen. Waarmee ik niet wil zeggen dat het me niets doet, of dat ik vind dat er niet ingegrepen hoeft te worden. Maar mijn vrouw een antwoord geven dat ook echt ergens op slaat, dat kan ik niet. Ieder antwoord zou klinken als een van die vele tweets die ik voorbij zie komen. Geen van die tweets spreken namens mij. Ik weet er te weinig van. Ik heb het vermoeden dat het dieper gaat. Veel dieper en verder. Zo gaan die dingen. Ik weet dat de mens zichzelf soms niet begrijpt. Dat de mens, nee, dat het leven zelf soms zo afgescheiden van zichzelf kan raken dat het zichzelf niet meer herkent. Al zolang we bestaan. De haat. De moorden. De harteloosheid. Vergeef hen, zij weten niet wat zij doen…?

‘Tja…,’ zei ik. Ik ging naast haar in bed liggen en sloeg mijn roman open. Fictie. Portnoy’s Complaint van Philip Roth. Een Jood. Hij had het niet over de ellende. Ik had het er ook niet over. Hij en ik vonden elkaar in zijn wereld, ver weg van alles. En ondertussen toch die onrust in mijn ziel. Dat vage gevoel. Dat akelige besef dat er iets mis is. Dat het niet goed komt.

En dan slapen. 

Ik vind het erg. Het moorden moet stoppen.