We gingen kijken naar de T-Rex in Leiden. Mijn vader, mijn twee zoontjes en ik. 

En daar stond ze. Zevenenzestig miljoen jaar oud. Vier ribben gebroken. Een ontsteking aan haar neus. Bijtwonden van een andere T-Rex. Allemaal weer geheeld. Uiteindelijk stierf ze in een overstroming en zakte ze met al haar vijfduizend kilo weg in modder. 

‘Dit geraamte heeft echt bewogen,’ zei ik tegen mijn zoontjes. ‘Het liep ooit rond, het at en dronk, het sliep en liep. Dít geraamte. Déze botten.’

Ik zei het net zo goed tegen mezelf als tegen hen. Omdat ik er simpelweg niet bij kon. Het echt begrijpen lukte me niet. De echtheid ervan. De realiteit van dit dier in leven, al die miljoenen jaren geleden. Het ontglipte me iedere keer als ik het probeerde te bevatten.

The physical impossibility of death in the mind of someone living. Die term schoot me te binnen. Het is de naam van een kunstwerk van Damien Hirst. Een witte haai op sterk water, in een groot aquarium, met z’n bek open. Je kijkt naar die haai en probeert het je voor te stellen, hoe je wordt verslonden en hoe die tanden je leven afbijten, hoe je dan dood bent. Het lukt je maar ten dele. Je voelt het en het benauwt je, maar écht begrijpen doe je het niet. Je botst op een muur. Geen idee of Hirst dat ermee bedoelde, trouwens.

Ik keek naar de T-Rex en wachtte. Wachtte op meer. Op een doorbraak, op een direct contact tussen mij en die dinosaurus. 

Ik maakte een foto van mijn jongens naast de gehavende kop en besefte dat de atomen van de T-Rex even oud zijn als de atomen waaruit mijn zoontjes bestaan. Die dingen worden aldoor hergebruikt, ik geloof al sinds de oerknal. In die zin is de T-Rex dus niet ouder dan mijn zoontjes. Ik weet niet of dat de zaak verandert, en zo ja hoe, maar opnieuw was er in mij een kanteling, en opnieuw was er het wringen van de ziel dat je voelt wanneer je net niet voorbij je eigen horizon kunt zien.


Weinig stukjes deze week maar ik had het druk en m’n jongens hebben vakantie. Deze stukjes per mail ontvangen? Klik hier