Sinds ik weer aan kickboksen doe ontdek ik nieuwe dingen over mezelf. Dingen waarvan ik me niet bewust was toen ik de sport vijftien jaar geleden beoefende.

(Even een kleine terzijde. Zeker na dat Basic Fit stukje van twee dagen geleden denkt de lezer misschien dat ik een soort sportfanaat ben. Dat is niet zo. Mijn lichaam begeeft zich ongeveer vier en een half uur per week in een sportschool, verdeeld over drie trainingen. De rest van de tijd zit het loom voor een laptop of verwerkt het rillend de inname van Duvel, Rochefort, Karmeliet, Westmalle, La Chouffe, etc.)

Als iemand me raakt tijdens het sparren voelt dat als falen. Daardoor is de klap harder dan hij zou zijn als ik er geen psychologisch element aan toe zou voegen. We maken pijn vaak pijnlijker dan die noodzakelijk hoeft te zijn. Niet alleen fysieke pijn, ook emotionele pijn. We balen ván de pijn en dat balen is éxtra pijn.

You can ride a horse, but you can’t ride a horse on a horse, zei Shunryu Suzuki. Het leven is als paardrijden; het vergt al je aandacht en inspanning, en het is zo al moeilijk genoeg. Je moet er dan niet nóg een paard bovenop willen zetten. Dat rijdt niet lekker. En toch doen we dat steeds.

Dus probeerde ik de laatste training iets nieuws. De tegenstander, dat was ik ook. Zijn vuisten waren mijn vuisten, zijn benen mijn benen. Ik had vier vuisten en vier benen. Ik kon alleen maar mezelf raken. Ik kon me alleen maar tegen mezelf verdedigen. Dat leidde tot een soort versmelting. Het laatste potje, in de ring, stond ik tegen een grote kerel. Tegen het einde had ik geen kracht meer. Ik liet me meppen. Daarna clinchte ik en stond ik tegen hem aangedrukt. Zijn lijf was mijn lijf. Het was heerlijk. Zelfs zijn natte shirt vond ik lekker. Het was als in die scène van Fight Club, wanneer Meatloaf het personage van Edward Norton liefdevol tegen zijn gigantische boezem drukt.

Ik weet niet hoe ik dit stukje moet afsluiten. Ik heb dingen te doen. Ik laat het zo.

Stukjes, stukjes. Come get your stukjes. Ik verstuur ze ook per mail