Een half jaar per jaar geef ik iedere donderdagmiddag les aan de ArtEz kunstacademie in Arnhem. De opleiding heet Creative Writing en ik doceer het vak Tekst & Wereld, wat in mijn geval neerkomt op literaire non-fictie. Het afgelopen semester had ik een groep eerstejaars studenten. Ik gaf ze een schrijfopdracht: dwaal in je eentje door het schoolgebouw en mijmer over jezelf in relatie tot het pand. Wie ben jij hier? Schrijf daarover en probeer het gebouw een rol in het verhaal te geven. Ik kreeg de blikken die ik vaker krijg: Waar lúlt hij over?

Eén voor één kwamen ze terug de klas in, notitieboekje in de hand, vermoeid. Ze moesten hun werk voorlezen. Sommigen hadden het niet helemaal begrepen, anderen juist heel goed. Er was één meisje dat haar stukje niet zelf kon voordragen, zei ze. Dat moest een klasgenootje maar doen.

Zodra haar klasgenoot begon, begon het meisje te huilen. Dit was de eerste alinea:

In mijn hoofd speelt zich hetzelfde opnieuw en opnieuw af. Ik zit naast mijn bed en Sam ligt er in. Hij vertelt me dat hij verliefd is op een ander. Dat was gister. Ik loop nu door het gebouw waar ik de afgelopen drie maanden heel veel tijd heb doorgebracht.

Het meisje hoorde haar eigen woorden terug. Haar eigen emoties. Ze werd geconfronteerd met de werkelijkheid van haar situatie. En niet alleen dat: ze werd geraakt door de krácht van haar eigen tekst. Ze liet zich ontroeren door haar eigen werk.

Het was het mooiste wat ik tot dusver in de klas heb meegemaakt. Omdat het puur was. Omdat het de essentie raakte van wat schrijven is, wat het kan doen, wat het kan oproepen. En ook de essentie van wat een schrijver is: dusdanig goed willen en kunnen schrijven dat jij zelf de eerste lezer bent die je verbluft. Dat je in eerste instantie je éígen wonden heelt.

Van maandag t/m vrijdag hier weer dagelijks een stukje. Hoop ik. Probeer ik. Ik schreef ook een roman: Bidden en vallen.