In de Starbucks op Eindhoven CS lopen een vader en zijn puberzoon met hun consumpties naar een tafeltje. De zoon – lang lichaam, mat en droog haar waarvan alleen het voorste beetje met gel is gemodelleerd – heeft een espresso en een bekertje water. De vader – fors, buik, bril, beige C&A-jas – heeft een enorme mok chocomel met erbovenop een ontzagwekkende berg slagroom. Hij glimlacht gegeneerd. Hij ziet zichzelf door de ogen van anderen: een net iets te dikke man met een veel te grote toef slagroom op zijn chocolademelk. Daarbij is het misschien een beetje kneuterig, een volwassen man met chocomel en slagroom. Maar de gêne is niet groot genoeg om hem tegen te houden; hij heeft er te veel zin in. Zijn glimlach zegt: sorry, ik weet hoe dit eruit ziet. Zijn fonkeloogjes zeggen: dit wordt smullen.

Ze gaan zitten. De puberzoon voelt zich opgelaten, opgesloten in zijn slungelige, nieuwe lichaam. Hij zwijgt en staart naar zijn espresso. De vader glimlacht even om zich heen en kijkt dan naar zijn zoon. Hij zoekt naar woorden. Hij doet zijn best. Hij wil die brug over. ‘Een ekspresso hoort zo klein te zijn hè?’ zegt hij. De zoon mompelt zonder op te kijken. ‘Slagroom op je ekspresso, dat is dus óók heel lekker, wist je dat?’ De vader zegt het te hard. De zoon mompelt, trekt zich nog verder in zichzelf terug en vat bijna vlam. Als hij een knop had die hij kon indrukken en zo zijn vader in een mushroom cloud van rook kon doen opgaan, zou hij hem indrukken.

O, vaders en zoons. De eeuwige kloof. De eeuwige stuntelige toenadering. Hun liefde als een homp klei, als een wit bestelbusje met panne langs de snelweg.

Ik noem dit stukje treinleven part 2, maar een part 1 zul je niet vinden. Het stukje fleece, echter, is feitelijk treinleven part 1. Dus daar begin ik met tellen, als je dat niet erg vindt. Heb je mijn roman al? Hij heet Bidden en vallen