Tegenover me in de trein zit een jongen van in de twintig. Simpel gekleed, slank. Een rugzak van de TU/E, de Technische Universiteit van Eindhoven. Die rugzakken zie je in onze stad heel vaak. De jongens die ze dragen fietsen altijd harder dan jij maar stoppen bij ieder rood stoplicht, ook al is er geen verkeer. Hij leest een boek, Horror in Architecture, waarin hij heel geconcentreerd zinnen onderstreept met een potlood.

Dan een jongen van Railcatering, vrolijk en beleefd. De jongen tegenover me vraagt: ‘Wat kost een flesje water?’ Waarop de verkoper zegt: ‘Eén euro zeventig.’ Heel beheerst haalt de jongen zijn portomonee tevoorschijn. Hij telt de muntjes uit en heeft het bedrag dan gepast. ‘Een flesje water, graag.’ Het is alsof hij iedere handeling wil uitvoeren op de manier die hij thuis heeft geoefend.   

De verkoper haalt het flesje uit zijn koeltas maar de jongen pakt het niet aan. Hij kijkt ernaar. ‘Die vind ik te klein,’ zegt hij. Een moment van ongemak hangt tussen hen in. Niet alleen tussen hen, maar ook tussen de passagiers in de directe nabijheid. ‘Ik heb geen andere,’ zegt de verkoper. ‘Dat kan,’ zegt de jongen. ‘Maar die vind ik te klein. Ik verwachtte vijftig centiliter en dat is drieëndertig centiliter.’ Ik zie dat het misverstand hem in verlegenheid brengt maar ook dat hij die verlegenheid accepteert. De verkoper loopt door, een beetje beduusd.

Ineens ben ik ongelofelijk jaloers op hem. Ik wil dat ook voor mij een transactie, hoe klein ook, gebaseerd moet zijn op redelijkheid en wederzijdse tevredenheid. Niet steeds O, doe dan maar. Niet steeds de lieve vrede willen bewaren. Niet steeds lui, laks, laf, zogenaamd laconiek en, nog erger, normaal. Nee, dat ik nadenk over waar ik mijn centjes aan uitgeef. Dat ik, ook al gonst de gedeelde of plaatsvervangende schaamte nog door de coupé, me daar niks van aantrek en ik, als het voorbij is, net als deze jongen heel doelbewust een thuis gesmeerde boterham met kaas uit een broodtrommel kan gaan zitten eten. Volledig in mijn recht. Geconcentreerd op mijn boek, onvermurwbaar. Misschien een beetje dorstig. 

Ook vandaag weer een stukje. Deze is iets te lang; mijn limiet is eigenlijk driehonderd woorden. Het zij zo. Je vindt deze stukjes ook op mijn Facebook. En ik schreef een roman: Bidden en vallen