Ze zitten tegen elkaar aan, tegenover me. Hun handen vervlochten. Ik denk negentien, twintig jaar oud. Het meisje vertelt over een gemeenschappelijke vriendin, van wie het vriendje haar heeft bedrogen. ‘Maar hij was ook echt zo’n type daarvoor,’ zegt ze. ‘Net als Wouter.’ Wouter is het vriendje dat zij had voorafgaand aan deze jongen naast haar. Wouter was bad news, een lanterfant, een rebel, een losbol. ‘Ik heb dat ook tegen haar gezegd, dat jij heel anders bent dan Wouter. Dat er ook jongens als jij bestaan. Jij zal nooit vreemdgaan.’ Ze leunt met de zijkant van haar hoofd tegen zijn schouder en staart uit het raam in een mantel van volmaakte tevredenheid.

De jongen, wanneer zijn vriendin zegt dat hij nooit vreemd zal gaan, glimlacht en knikt. Maar ik zie het in zijn ogen. De vonk van verkramping. Het is geen slinkse blik, niet vals; het is niet dat hij stiekem wél al vreemdgaat of dat van plan is. Wat dat betreft heeft het meisje gelijk: hij ziet er degelijk uit, en liefdevol, en lief. Nee, het is niet dat hij haar al verraden heeft.

Het zijn de muren die ze om hem heen heeft gezet. De stelligheid waarmee ze zegt: Jij gaat niet vreemd, jij bent niet zo iemand. Ze weet wie hij is terwijl hij zichzelf nog maar amper kent. Ze heeft hem op een voetstuk geplaatst en hij deugt alleen zolang hij daar netjes en kaarsrecht blijft staan. Een heel leven voor hen, maar geen marge voor transgressies. Een perfect standbeeld. Schampt hij zijn elleboog en breekt er een stukje af dan zal ze teleurgesteld in hem zijn. De jongen is zich hier niet van bewust; hij voelt alleen die kluwen wurmende slangen in zijn maag.

Ze zwijgen en kijken uit het raam. Zij zucht, voldaan en ontspannen. Want hij is niet als Wouter. Hij is alles wat ze altijd al wilde. Eindelijk alles perfect. Compleet.

Deel mijn stukjes met de knoppen hieronder. Wil je ze in je mailbox? Dat regel je hier. En natuurlijk schreef ik ook een roman: Bidden en vallen.