Het nieuwe schooljaar begon hier pas gisteren. Vanochtend bracht ik m’n zoons naar school. We gingen met de fiets. Mijn jongste, die nog niet lang zo lang kan fietsen, zwabberde vlak voor me; met zijn iets te grote rugzak leek hij op een dronken schildpad. Mijn oudste was al vooruit gefietst. Nog steeds kijkt hij nooit over zijn schouder, maar ik kan maar op één kind letten, dus dan maar op het meest kwetsbare. 

Het schoolplein gedrenkt in zonlicht, de lucht nog koel. Een sfeer van nieuwigheid, van anticipatie. De ouders bleven hangen, gingen nog mee de naar lokalen. Ik zag ze glimlachen, maar ook zag ik de weemoed in hun ogen. Alles gaat maar door, alles blijft maar veranderen, en och, kijk ze toch eens gaan en groot worden en steeds verder bij ons vandaan gaan. Nog even en dan is de klank van al die kinderstemmetjes op het schoolplein nog maar een herinnering, een droom. Een geluid dat je hoort als je later toevallig langs een school fietst, en dat dan precies hetzelfde klinkt als toen. Och, toen! Toen alles nog… toen jij nog… toen zij nog… En een groot gemis zal je hart splijten.

Op de terugweg fietste ik langs de supermarkt. Bij het fruit passeerde ik een vrouw. Toen we elkaar passeerden vielen er twee pluots uit hun krat. (Een pluot is een soort hybride pruim-nectarine.) Ze vielen op de vloer tussen ons in. De vrouw en ik stonden met onze ruggen naar elkaar toe. Allebei hadden we de krat niet aangeraakt. Het was een teken van God. Liefde, dacht ik. Moet je opletten, dacht ik. Als ik me nu omdraai en ik kijk haar aan: een bliksemschicht.

We keken elkaar aan, keken naar de twee pluots op de vloer, keken elkaar aan. Ze was helemaal niet mooi, en ook haar reactie viel me tegen. Ze keek alsof haar iets heel simpels was uitgelegd waar ze niettemin geen bal van begreep. Al na een seconde vond ik dat het net zo goed haar als mijn verantwoordelijkheid kon zijn om die twee pluots op te rapen. Toch was ik degene die ze opraapte, en de voldoening daarvan liet ik mijn conclusie bekrachtigen: ik was veel te leuk voor haar.

Ik weet niet wat de eerste anekdote met de tweede te maken heeft, maar dat maakt me niks uit. Dit zijn mijn stukjes. Er is geen krant en geen redactie en geen baas. Ik schrijf wat ik damn well wil.


Abonneer je op deze stukjes, dan krijg je ze per mail. Ook leuk als je ze deelt, bijvoorbeeld met een retweet op Twitter. Ik heb geen krant die me uitdraagt; mijn bereik zonder jullie is beperkt. Ik schreef een roman: Bidden en vallen.