Er is een boom geveld met lange groene lokken.

Hij zuchtte ruisend als een kind

terwijl hij viel, nog vol van zomerwind.

Ik heb de kar gezien, die hem heeft weggetrokken.

O, als een jonge man, als Hector aan de zegewagen,

met slepend haar en met de geur van jeugd

stromende uit zijn schone wonden,

het jonge hoofd nog ongeschonden,

de trotse romp nog onverslagen.

Ik zat aan het ontbijt met mijn zoons. Dit gedicht van Vasalis had ik de avond ervoor gelezen. Mijn jongste had al een uur niet met zijn ogen geknipperd, zo verkondigde hij trots. En nog steeds hield hij het vol. Terwijl hij het zei zag ik hem met zijn ogen knipperen. En uiteraard had hij het afgelopen uur veel vaker met zijn ogen geknipperd. Hij had het alleen niet door gehad. Omdat hij niet bewúst met zijn ogen knipperde geloofde hij dat hij zich aan zijn voornemen hield. Hij staarde me aan, zijn ogen wijd open. Zie je wel?

Maar zijn lichaam deed het toch, het knipperen, zonder dat hij het wist. Dat doet een lichaam; het heeft je bewustzijn niet nodig. Ik keek naar hem, naar zijn ogen en lijfje. Dat ogenschijnlijk complete mensje uit één stuk. Eén ondeelbaar wezen. Maar ondertussen bestond hij uit ontelbare onderdelen. Ondertussen splitsten zijn cellen, groeiden zijn botten, werden er hormonen rondgestuurd, elektrische impulsen afgevuurd, pompte er bloed rond, groeide zijn haar, werden zijn ogen bevochtigd, werd er gif afgevoerd, vielen er schilfers van zijn huid. En dan zijn geest; zijn gedachten en emoties als vallende sterren aan een donkere hemel. Dan verdwenen, dan weer nieuwe. Nooit dezelfde. Niets blijvends. Zelfs zijn ziel slechts de illusie van continuïteit, zogenaamd permanent en onveranderlijk.

Wat vreemd, wat vreemd. En ik ook: al die dingen, al die onderdelen. Veranderlijk, ouder wordend. Me vastgrijpend aan vallende sterren aan een donkere hemel. En toch: hij en ik hier samen. Onveranderlijk. Permanent. Niets anders dan dit. We konden elkaar aankijken, aanraken. Form is emptiness, emptiness is form – een oud boeddhistisch adagium. 

Ik dacht aan dat gedicht van Vasalis en ik wist dat mijn zoon die boom was. Mijn andere zoon ook. Wij allemaal. Je wordt geboren en daar ga je. Je ligt op die kar. Alles doet het nog. Je ruist, je haar sleept. De geur van het leven stroomt uit je schone wonden. Maar je bent onderweg. Je wordt afgevoerd.

Ik heb die kar gezien.


Ja abonneren op deze stukjes kan HIER. En mijn boek, och, mijn nieuwe boek, heb ik Wij zeggen hier niet halfbroer genoemd.