Terwijl ik dit zit te typen hoor ik onze oude kat snurken. Hij ligt een verdieping lager in zijn mand. Snurkt zo door het plafond heen. Iedere ademhaling gaat stroef en moeizaam, alsof hij met iedere teug het leven dat bij hem vandaan wil rennen terug in zijn stramme lijf zuigt. Een daaropvolgende gedachte kan zijn dat we dat allemaal doen, hoe oud of jong we ook zijn. Met iedere hap adem stellen we iets uit, laten we het allemaal nog wat langer doorgaan. 

Ik kijk uit het raam en zie de grijze lucht en denk: ah, dat zal het zijn, de katalysator van mijn melancholie. Van alle beloftes die niet worden ingelost is die van de lente misschien wel het ergst. Het is alsof de tijd stilstaat. Alsof je niet vooruitkomt. Of alsof je allang ergens had moeten zijn. Ze zijn je vergeten mee te nemen. 

Prachtig, eigenlijk, hoe de seizoenen je meedragen van de ene plek naar de andere. We hebben vaak het idee dat wij ons volledig onafhankelijk kunnen voortbewegen. Dagen als vandaag, seizoenen als deze, bewijzen mij het tegendeel. Wij nemen alles met ons mee en alles neemt óns met zich mee. 

Dus zet ik nu het raam open. Hoor vogels. Hoor mensen in hun tuinen. Ze brengen me de lente. Het lukt dus ook de grijze lucht niet om grip op de zaken te houden. De zomer komt eraan. We hebben vertrouwen – de vogels en planten hebben vertrouwen – dat de zomer eraan komt. Dit vertrouwen zit zo diep dat we het intuïtie noemen. Of wilskracht. 

En daarom blijven we, net als mijn kat, adem halen.