Vaak rijdt de trein parallel aan een kanaal. Natuur of platteland aan weerszijden. Soms, als ik uit het raam kijk, zie ik een vrachtschip varen. Ze zijn nooit heel groot, een fractie van die dingen op zee. Ik heb het idee dat ze door maar één iemand worden bemand. Op het lange dek staan containers (vaak met ‘Maersk’ erop).

Ik kijk altijd naar zo’n schip tot het uit zicht is verdwenen. Het is een beetje alsof ik naar een andere dimensie kijk, alsof ik wel dat schip kan zien maar degene op dat schip niet de trein. Als kijken in een glazen bol.

En iedere keer stel ik me voor dat ik op dat schip vaar. In mij roert zich een diep verlangen om de schipper te zijn.

Het zilveren water. Het panaroma van uitgestrekte grasvlakten, bomen, boerderijen. De wind, het ronken van de scheepsmotor. De kajuit; ik ken ieder hoekje, weet ieder roestplekje, ben vertrouwd met ieder kraakgeluidje. Ik ben alleen. Ik ga rechtdoor, rechtdoor, rechtdoor. Lange uren die wegsijpelen aan alle kanten, die tegelijkertijd het verleden, het heden en de toekomst in verdwijnen.

Geen missie behalve van A naar B. Geen mogelijkheden anders dan varen. Geen deadlines, geen afspraken, geen verantwoordelijkheden, geen geliefden, geen kinderen, geen agenda, geen sport, geen winkels, geen spiegel, geen uiterlijk, geen gesprek, geen contact, geen telefoon, geen social media, geen confrontaties, geen concurreren, geen angst, geen geld, geen etiquette, geen omgangsvormen, geen vriendelijkheid, geen libido.

Varen en staren. Nader tot de bleke zon dan tot de aarde. Het water zo zilver, zo fel. Af en toe een verlangen, een behoefte. Dan het besef dat het toch niet kan, dat er de mogelijkheid niet toe is. Dan dat verlangen weer laten gaan, weer vergeten, en ook zelf schijnbaar weer vergeten worden.

Als het treinspoor afbuigt en ik het schip niet meer kan zien hoef ik geen schipper meer te zijn. Het verlangen bleek eenzelfde verlangen als het verlangen niet meer te verlangen.

Ter nagedachtenis aan Wim Brands, met wie ik ooit in de trein zat voor Volkskrant Magazine. Zijn tas zat vol literaire tijdschriften waarin één of meerdere van zijn gedichten waren afgedrukt. Hij ging kopietjes van die gedichten maken. Voor zijn nieuwe bundel.