Twee oudere dames, vermoedelijk onderweg naar Amsterdam voor een middagje shoppen, zitten gezellig te kletsen in de stiltecoupé. Het is druk, alle stoelen zijn bezet, sommige mensen moeten staan. Chaos, dus dan kan dat kletsen er ook nog wel bij, en die dames zullen het niet in de gaten hebben.

Wanneer er een oudere man de coupé binnenkomt spreek ik hem aan: ‘Meneer, als het zo druk is kunt u gewoon in de eerste klas gaan zitten.’ De dames horen het me zeggen. ‘Nee hoor, dat mag niet,’ zegt één van de twee stellig. ‘Jawel,’ zeg ik. ‘Een conducteur gaat deze meneer in deze situatie echt geen reprimande geven.’ De dame kijkt bedrukt en zegt het nog eens: ‘Het mag echt niet.’ De andere mensen in de coupé kijken op hun telefoons.

De man geeft me een bedeesd knikje. ‘Het hoeft niet,’ zegt hij, waarop ik hem mijn plaats aanbied. Wanneer ik ben opgestaan en we elkaar passeren zegt hij zachtjes: ‘Ge bent unne goeie jonge.’ Als ik in het gangpad sta zegt dezelfde dame tegen me: ‘Waarom ga jij nu dan niet in de eerste klas zitten?’ 

De trein is een tijdje aan het rijden wanneer ik de andere oudere dame hoor zeggen: ‘O, dit is een stiltecoupé.’ Ze heeft eindelijk de belettering op het raam gezien.

En dan gebeurt het. De andere vrouw kijkt ook naar die belettering. Allebei zien ze het nu staan: Stilte. Silence. En dan… Dan gaan ze verder met kletsen. Omdat ze gewoon twee sympathieke, fatsoenlijk, oudere vrouwen zijn, onderweg naar Amsterdam voor een dagje shoppen. Dus als zij kletsen, dan doen zij niets verkeerd.

Maar nu pik ik het niet meer. Kijk haar dan zitten, die ene met haar grote smoel, met haar ‘dat mag niet hoor’. Het was ook op haar initiatief dat het kletsen werd voortgezet. Kijk haar dan zelfvoldaan zetelen in haar eigen weke massa, haar stupide burgerlijkheid, haar schaamteloze zelfrechtvaardiging. 

‘Blijft u nu gewoon doorpraten?’ zeg ik.

Ze kijken naar me, zogenaamd verbaasd, alsof ik iets heel raars heb gezegd. De ene, de wat stillere, kijkt meteen schuldbewust, maar de andere blijft kijken alsof het ondenkbaar is dat zij iets fout heeft gedaan. Dan zegt ze: ‘Wablief?’ 

Ik zeg: ‘U blijft nu gewoon praten? Terwijl u net nog heeft opgemerkt dat het een stiltecoupé is?’

Haar mond beweegt als een anus vlak voor de drol, maar er komt niets uit. In haar hoofd zie ik de radertjes draaien, in haar ogen de verontwaardiging gloeien. Dan mompelt ze iets. Toch het laatste woord willen hebben, ook al is het slechts gepruttel.

Dan is er een man. Vanaf zijn zitplaats zegt hij: ‘Ben jij de burgemeester van deze trein of zo?’ Nu is het mijn beurt om te pruttelen. Iets over ‘regels’ en ‘de bedoeling’. Om hem snel een doodsteek te geven zeg ik: ‘Ik zag u niet opstaan voor die meneer net.’ Waarop hij met zijn hoofd schudt.

Die oudere vrouw – die ene – maakt aanstalten om iets te zeggen. Ze wil die man bijvallen. Ik zie het in haar ogen; het is haar kans op eerherstel. De blik die ik haar geef is echter van dien aard dat ze toch maar haar bek houdt.

Ja, ik ben de fucking burgemeester van deze trein.


Ik schreef ook een boek. Het heet: Wij zeggen hier niet halfbroer. Je (gratis) abonneren op deze stukjes kan HIER.