Gisteren ging ik wandelen. Ik was ietwat katerig. Niet van het feest van de Volkskrant en ook niet van het feest van Das Magazin, want op die uitnodigingen besloot ik niet in te gaan. Ik was niet in de stemming, niet sterk genoeg. Toch kwam ik zaterdagnacht pas om vier uur thuis, licht geurend naar parfum. Gek hoe dat werkt met voornemens en gemoedstoestanden.

Al veel vaker stond ik op het punt om te gaan wandelen, maar nooit deed ik het. Ik heb geen richtingsgevoel en weet in het bos de weg niet. Nu heb ik een app waarop ik routes kan downloaden en die me de weg wijst. De route die ik uitkoos was een rondje van tien kilometer. Ik begon in het bos hier vlakbij en liep via Waalre en Aalst weer naar huis.

Het duurde even voor ik echt vertrok. Iets hield me tegen. Ik kan ook gewoon hier blijven, dacht ik. Lekker met m’n Netflix, en Youtube-filmpjes over Mixed Martial Arts en Ayahuasca-retraites in Peru. Het was daarbij al half twee. Om nu nog te gaan wandelen… En het was meer dan dat. Ik was down. Ik stelde me voor hoe ik door het bos liep en in die voorstelling was ik nog steeds neerslachtig. Ik transporteerde de gemoedstoestand van de Henk hier naar de hypothetische Henk in het bos. De conclusie was dat het niets zou uitmaken: wel wandelen of niet wandelen.

Toen ik de straat uit fietste, naar het beginpunt toe, was het alsof ik met een elastiek aan mijn appartement vastzat. Ik kon niet zomaar weg. Moest ik geen jas meenemen? Geen tas? En los van die praktische bezwaren: wat ging ik nou eigenlijk dóén? Kon dit wel zomaar? Terugfietsen, naar binnen gaan, de deur achter me dichtrekken, me afzonderen; het lonkte.

Het elastiek knapte pas toen ik eenmaal in het bos liep en diep ademhaalde. Mijn bloed begon sneller te stromen, mijn tred was ferm. Af en toe keek ik op die app om te kijken of ik nog goed liep. Ik was hier nog nooit geweest. Dit was allemaal nieuw voor me. Ik was er zo enthousiast over dat ik het wilde roepen naar de paar mensen die ik tegenkwam: ‘HALLO! IK DOE DIT VOOR HET EERST! IK HEB HIER NOG NOOIT GELOPEN!’

Ook al had ik die app, toch voelde ik de opwinding van verdwaald zijn. Ik was ergens van losgekomen. Van mezelf, van mijn appartementje en mijn neerslachtigheid. De echte Henk was nu hier, en de hypothetische Henk zat nog thuis in z’n pyjama naar de laptop te staren, op tafel lege Duvel-flesjes en de proppen keukenpapier gebruikt bij het dwangmatig porno kijken, koffievlekken op z’n shirt, wallen onder z’n ogen. Oké, die laatste vier dingen niet werkelijk, maar de rollen waren wel degelijk omgedraaid; ik kon niet geloven dat ik echt had overwogen om daar te blijven zitten.

De meeste stukken was ik alleen. Zandpaden en bospaden. Ik vond het allemaal even bijzonder. De planten en bomen leken tot me te spreken. Ik kwam langs velden met heide. Er was een man in een weiland met een op afstand bestuurbaar vliegtuigje waar ik even naar bleef kijken en luisteren (het hoge geronk van de kleine propellers, ver weg, dichtbij). In Waalre liep ik langs een concours hippique. Ik liet een gestald paard aan m’n handen likken, keek in z’n donkere, schichtige ogen en dacht: Ik ken jou.


Deze stukjes automatisch ontvangen in je mailbox? Klik HIER. Mijn roman lezen? Vraag in de boekenwinkel naar Bidden en vallen.