Mijn rug werd getatoeëerd in een klein zaakje in de Eindhovense wijk Tongelre. De tatoeëerder en ik waren het eerste uur nog met z’n tweeën, maar toen kwam er een kerel binnen. De twee kenden elkaar. Het is een zoete inval, vaak, in die shops. De kerel droeg een metalen brilletje en werkkleding bespat met witte verf. Hij had een oude viool bij zich, die hij had gekocht op een veiling. Die ging hij laten beschilderen door de meesterschilder Cornelis le Mair. ‘Ik zit zelf aan engelen te denken,’ zei hij. Daarna zou de viool veel meer waard zijn en kon hij hem op Marktplaats zetten. Hij was deze week ook een muur aan het witten bij Le Mair thuis. ‘Dat wordt een mooi muurke!’ En wat betreft tatoeages, Cornelis le Mair had een tekening voor hem gemaakt, die de kerel op zijn been kon laten zetten. ‘Knappe jongen die dat kan tatoeëren,’ zei mijn tatoeëerder. ‘Ja,’ zei de kerel. Inmiddels was hij naast mijn tatoeëerder komen staan, vlak achter mijn rug. Hij handelde zelf ook in schilderijen van Cornelis le Mair. ‘Ik kreeg laatst een vent over de vloer,’ vertelde hij. ‘Die wilde een Le Mair kopen voor driehonderd euro. Ik zei: heb je wel verstand van kunst? Ja, zei die gek toen ook nog.’ Mijn tatoeëerder zei: ‘Wat een gek zeg.’ Meteen daarna begon die man te hoesten, heel hard en heel lang, vlak achter mijn rug, vlakbij de open wonden die de naald erin had geslagen.