Na de wandeling in het bos (zie stukje hiervoor) zat ik te schrijven met de tuindeur open. Het was afgelopen zondag, toen het zulk mooi weer was. Ik dacht nog aan dat bos, en aan al dat plastic, en aan een zeker breekpunt. Een kritiek punt waarop de boel het begeeft en instort. Soms kan ik niet geloven dat het nog niet is gebeurd.

Hier in de achtertuin, tegen het huis aan, bloeit een enorme blauwe regen. Twaalf jaar geleden plantte mijn moeder hem daar. De stam is nu zo breed als twee pakken melk naast elkaar. De paarse trossen (meer paars dan blauw) doen de takken loom naar beneden hangen, zo zwaar zijn ze. En zo talrijk. Alles is paars. De rest van de tuin (een stadstuintje) lijkt er slechts nog te zijn om de blauwe regen te accomoderen.

Ik zat te werken. Een paar trossen hingen vlak voor de open tuindeur. Het gezamenlijk gezoem van de hommels en bijen was zo luid dat ik de pianomuziek van Ten Holt niet meer hoorde. Het gezoem van het leven zelf. De frequentie van het al. Het Ohmmmm van Tibetaanse monniken.

Maar ook de bijen sterven. Hoe lang horen we dat al? Hoe lang worden we er al voor gewaarschuwd? Dat het slecht gaat, en slecht blijft gaan. Dat de bijen geen kans hebben. Iedere keer dat je hoort weer dat weeïge gevoel in je hart. En zo is het mogelijk dat ik rouw om de bijen die van mijn blauwe regen drinken. Ik zie ze, ze zijn er nog, maar ze zijn dood. Blijkbaar leef ik in een herinnering. Blijkbaar droom ik.

Dat het nog kan. Je ogen sluiten en de zachte wind voelen. Zwemmen in zee. Je kinderen vasthouden. Dat het nog kan. Midden in de ramp.

Soms verwacht ik dat de wereld zal scheuren. Niet per se de aarde, of de lucht, maar de werkelijkheid zelf. De realiteit. De matrix van quarks.

Ik zat voor de laptop maar mijn vingers typten niet. Het was allemaal zo écht – de bijen en hommels, de zon, de blauwe regen – en daardoor des te meer een droom.

Ik staarde naar buiten en zag iets bewegen op de tegels. Ik liep de tuin in en zag een krekel lopen. Een dikke, zwarte. Een veldkrekel. Oscar lust ze niet, zo blijkt, en dus liet ik een week geleden de inhoud van een heel doosje vrij in de tuin. Ik wist dat de koude nachten hen fataal zouden worden – krekels gedijen niet in NL – maar ik wilde ze niet door de wc spoelen. Op deze manier konden de vogels nog van hen eten.

Maar nu, een week later, na een aantal koude nachten, liep hier ineens deze dikke zwarte krekel. Hij kroop tussen de gevallen paarse blaadjes van de blauwe regen, schijnbaar op zoek naar iets. Ik bleef heel lang naar hem staan kijken. Alsof ik hem wilde aanmoedigen. Alsof het lot van alle dingen van hém afhing. Zolang hij nog leefde was er een kans.


Mijn boek: Wij zeggen hier niet halfbroer. Je abonneren op mijn stukjes: hier.