Afgelopen donderdag waaide het hard. De storm. Ik liep door Amsterdam (waar ik niet woon; iedereen denkt dat ik daar woon) en voelde hoe windvlagen mijn haar optilden en door elkaar gooiden. Ik was al een hele tijd niet naar de kapper geweest. O nee! dacht ik, en bracht mijn handen naar mijn haar. O nee hè! Ik keek naar mezelf in spiegelende winkelruiten en probeerde, zo goed en kwaad als het ging, de boel onder controle te krijgen, te temmen, binnen de perken te houden. Ik had een fotoshoot voor Volkskrant Magazine (voor bij de voorpublicatie van WZHNH, aanstaande zaterdag) en zou daarna meeliften met Noor Spanjer, ook voor het magazine. Al met al kwam het behoorlijk slecht uit, deze insubordinatie van mijn haar.

Zodra ik bij de fotografe binnenstapte benoemde ik het. ‘Het waait hard,’ ‘Ik moet naar de kapper,’ etc. Want anders zou ze denken: Mijn god, moet je dát haar zien. Echter, ze keek naar me alsof ze niet zo goed wist wat ik bedoelde, of wat het probleem was. Mijn haar zat leuk, zei ze. Ze snapte het niet. Ze snapte niet dat ik er zo in feite niet uit hoor te zien. Zo lekker los, met van dat warrige haar, van die laisser-faire-krullen. Dat ben ik niet. ‘Ik voel me een sukkel,’ zei ik. ‘Een softie.’ 

Later, met Noor in de Van Dobben, benoemde ik het opnieuw, ook bij haar. Ik weet hoe dit klinkt. Alsof ik bevestiging nodig heb. Alsof ik steeds opnieuw wil horen hoe leuk mijn haar zit. Het klinkt als aandachttrekkerij. Maar dat is het niet. Het is werkelijk dat ik denk dat de ander me zal zien en zal denken: O, ik dacht dat Henk een bepaald type man was, maar nu ik hem zo zie, met dat overhoop geblazen haar, valt hij me ineens behoorlijk tegen. Ook Noor staarde naar me alsof ik niet helemaal goed snik was. En zei hoe leuk ze mijn krullen vond. Niet dat ik haar geloofde. Die fotografe geloofde ik ook niet. Niet echt.

‘Wat zit je haar leuk!’ zei mijn ex, toen ik onze zoons kwam brengen.

Thuis stond ik voor de spiegel. Met die krullen. Met dat haar. De drang om het te snoeien. Maar waarom? Omdat het zwakte uitstraalt. Het is suf. Het komt niet zelden voor dat een vrouw in bed haar hand door m’n haar wil halen. Dat laat ik niet toe, of met een grimas. Het is alsof ze een geheim willen aanraken, diep in mijn binnenste, dat nooit bloot mag komen te liggen. Het naar buiten groeien van mijn krullen is het naar buiten sijpelen van mijn kwetsbaarheid, schaamte, zwakte.

Ik stond voor die spiegel en wist dat het niet deugde. Mijn relatie met mijn krullen. Er was iets mis met mij. Een zekere krampachtigheid waar mijn krullen-neurose slechts een symptoom van was. Een zekere angst om naakt te zijn. Om gezien te worden, zonder façade. Om de controle over mijn identiteit te verliezen. In feite ben ik niet anders dan de man die lange plukken haar over zijn kale bovenhoofd heen kamt.

Bij de kapper legde ik uit dat ik het ging proberen. Op mijn zevenendertigste leren leven met mijn krullen. Maar of ze dan op z’n minst een beetje bij de oren kon knippen. Ik zag haar blik naar mijn haar gaan en zag haar glimlachen en heel even dacht ik: Zie je wel, ze vindt het stom. Ze waste mijn haar en masseerde mijn hoofdhuid. Toen ze het had afgedroogd stond het alle kanten op. ‘Echt mooie krullen,’ zei ze. Ik ademde diep in en uit. ‘Oké,’ zei ik. ‘Oké.’


Je abonneren op de stukjes? Klik hier