Zaterdag zag ik mijn oude vriend weer eens drummen. Tien jaar lang speelden we samen in een punkbandje. Veertien jaar oud waren we toen we begonnen. We werden samen volwassen. Onze ouders brachten ons naar onze eerste optredens; we hadden nog geen rijbewijs. Later hadden we ons eigen tourbusje. We speelden in Duitsland en Engeland, Frankrijk en Spanje. We sliepen op de vloeren van vreemden en in schimmige krakershollen. We waren jongens, vol bravoure, luidruchtig maar kwetsbaar.

Hij is klein van stuk, die vriend. We noemen hem Pitje. Als hij achter zijn drumstel zit lijkt er een soort berusting over hem heen te komen. Een soort kalmte, hoe hard en intensief hij ook drumt en hoezeer hij zich ook concentreert. Ik heb dat altijd schitterend gevonden, die trance. Maar bij een trance denk je aan hysterie, buitenzinnigheid, dus dat is het goede woord niet. Het is eerder dat hij in zichzelf keert en comfortabel zetelt in zijn eigen wezen, subliem afgestemd op de muziek. En dat zie je. Die sereniteit. Die subtiele, gecontroleerde zindering. 

Nu speelt hij in Hoodoo Monks and the Black Mambo Boogie. Opzwepende en hypnotiserende blues. Hij speelde in een ouderwetse kroeg hier in Eindhoven. Ik zag weer hoe mooi het is: hij achter die drumkit. Nu met een bloesje en nette schoenen aan. Vier jonge kinderen. Een baan in de keuken. Vader, echtgenoot. Een harde werker. Moe, maar trots.

Ik was ontroerd. We zien elkaar veel minder vaak. Inmiddels zijn er meer jaren verstreken dan de jaren die we in ons bandje speelden. Toch voelt dat niet zo. Voor geen van ons, denk ik. Ook al worden we grijs, krijgen we rimpels en weegt ons hart steeds zwaarder: het is alsof ik nog ieder moment buiten getoeter zal horen, naar het raam zal lopen en daar ons busje zal zien staan. 

Ik zag mijn vriend drummen en besefte dat ik voor altijd het gevoel zal hebben dat die periode van tien jaar nog maar net voorbij is. Dat ik nog terug kan. 


Fijn Sinterklaasfeest allemaal. Abonneren op deze stukjes? Klik hier