Ik ging wandelen met m’n jongens, in een bos waar je Schotse hooglanders kunt tegenkomen. Mijn oudste vond een vermolmde dennenappel. ‘Kijk,’ zei hij, en hield hem voor me omhoog. Op de dennenappel groeiden vele piepkleine paddenstoeltjes. Het was een kleine wereld. De dennenappel was aarde, was rots, was grotten en bergen. De paddenstoelen waren bomen, wezens, anemonen. Ze reikten omhoog, achteloos en toch met een doel; een doel zonder doel. Doordat hij de dennenappel zo voor zich omhoog hield dacht ik aan een rotsblok zwevend door het universum, afgebroken van een planeet, als een soort ark van Noach.

We zagen een hooglander. Ook al waren we ernaar op zoek geweest, toch verschoten we. Hij stond verscholen tussen de bomen, bruin en kolossaal en ongepast; een wildernis die misplaatst leek, die vooral herinnerde aan een wildernis in het hart.

De hooglander liep onze kant op. Dat vonden we eerst leuk, en toen niet meer. Mijn zoons gingen sneller lopen. ‘Doe rustig,’ maande ik, en ging zelf ook iets sneller lopen.

De terugwandeling verliep grotendeels in stilte. Het begon zachtjes te regenen. Eerst klaagden ze nog, vooral de oudste, maar toen dat klagen de regen niet deed stoppen en de bestemming niet sneller deed komen zweeg hij. Wolken schoven opzij en lieten de zon door. Een vale regenboog verscheen. De jongste liep naast me, hij in zijn stilte, ik in de mijne, gehypnotiseerd door onze voetstappen. Na een tijdje zei hij: ‘Alles aan de wereld kan kapot, behalve de lucht.’

img_20161102_135403


Deel mijn stukjes gerust. Ik heb geen krant die ze op duizenden matten neerlegt, dus alle hulp is welkom. Je kunt je er ook hier op abonneren. Mijn roman heet Bidden en vallen.