De blauweregen hier in de tuin is als een plafond geworden. Een plafond en een dak. Ik snoei haar wekelijks, anders was ze allang het huis in gegroeid. Haar armen zoeken naar nieuwe hoekjes, nieuwe kiertjes, nieuwe uitsteeksels. Vele kleine handjes tasten de omgeving af; als ze niets dan lucht vinden laten ze los en vallen ze op de grond. Ik vind ze overal: kleine dunne groene sprietjes die geen nieuw terrein wisten te vinden, alsof de moederplant hen teleurgesteld heeft afgestoten. Maar is er wel nieuw terrein, is er wel houvast, dan veranderen de handjes in sterke armen. Dan begint het grijpen, het overmeesteren, het woekeren. Het bezit nemen, het penetreren, het verstikken. 

De andere planten in mijn tuin staan allemaal onder haar. Een braam, een witte bes, een wolfsmelk, een varen, een magnolia, en nog een heel aantal planten waarvan ik de naam niet meer weet. Zou ik de blauweregen haar gang laten gaan dan zouden die planten geen licht meer krijgen, dan zouden haar duizenden handjes hen weten te vinden en hen achteloos gebruiken als fundament, als houvast.

Je hebt de handjes en de blaadjes en de wortels en de stam en de bloemen. Allemaal verschillende dingen, en toch óók allemaal één ding. 

Ik ben gek op haar. Ze is mijn mooiste plant. Iedere lente maakt ze de hele wereld blauw. Mijn moeder plantte haar toen ze klein was, toen mijn ex en ik hier net waren komen wonen. Haar paarsblauwe trossen zijn oogverblindend; als ze bloeit, als de hommels en bijen van haar drinken, is het haast niet voor te stellen dat ze geen meedogen kent. Je kunt een plant echter niks kwalijk nemen. Ze willen wat ze willen zonder dat ze weten wat ze willen.

Willen, ja, dat is het woord. Willen zonder weten, en dus zonder opgeven. Haal ik op één punt steeds haar armen weg, komt er steeds weer een handje zoeken. Dat houdt nooit op. Ze denkt nooit: ja dag, bekijk het maar. Omdat ze niet denkt. 

En toch… Zijn wij niet net zo? Zijn wij niet als de blaadjes aan mijn blauweregen? Met als voornaamste verschil dat wij weten en denken. We nemen de hele tuin over, maar we zien het onszelf doen en we roepen naar elkaar: ‘Niet doen!’ We zijn blaadjes die denken dat ze alleen blaadjes zijn, die het steeltje niet zien waarmee ze aan de moederpant vastzitten. Die plant die wil, die groeit, die niet opgeeft, die een miljoen handjes heeft en daarna nog eens een miljoen en daarna nog eens en daarna nog eens.  

Van een plant verlangen dat ze zichzelf snoeit, dat is nogal wat.


Deze stukjes automatisch per mail ontvangen? Klik hier. Mijn nieuwste boek heet Wij zeggen hier niet halfbroer.