Als kind droomde ik van een Opinel zakmes. Op vakantie, vroeger, had je de typisch Franse dingen: croissants, stokbrood, La Vache Qui Rit, koude beekjes en, ja, Opinel zakmessen. Al die eerstgenoemde dingen zou ik ogenblikkelijk hebben ingeruild voor een echt, eigen Opinel zakmes. Hoe vaak ik heb staan te kwijlen voor de vitrines in kleine dorpjes. Vitrines waarin de zakmessen netjes waren gerangschikt in mooie displays, van groot naar klein. Een prachtig, eenvoudig zakmes. Het handvat van hout, het lemmet maagdelijk. Als ik mijn ogen sloot liep ik ermee door de bossen, een kompas in mijn andere hand. Ik liep ermee langs andere kinderen, hun monden open van ontzag, ogen giftig van jaloezie. 

Deze herinnering heeft jarenlang in een latente hersenkwab liggen verstoffen. Het kwam pas deze zomer allemaal weer bovendrijven toen mijn zoontje van zeven zich meldde, driftig en dwingend, bij onze stacaravan in Saint-Emilion. Hij wilde een zakmes hebben. Een Opinel zakmes. De tranen welden al bij hem op, klaar om dienst te doen.

Ik schoot in de lach. Een més? Maak je een grap? Je bent zeven! Je kijkt niet eens uit met oversteken! Hij werd woedend, maar ik ben zijn woede gewend en sloeg dus mijn boek weer open. En daarmee basta. 

Nog geen twee dagen later waren we op zoek naar een Opinel zakmes. Ziet u, Seb en Kiek, het nieuwe vriendje en vriendinnetje op de camping, hadden óók een Opinel zakmes gekregen. En ondertussen was ook mijn herinnering komen bovendrijven; mijn vurige jeugdliefde voor de Opinel. Daarnaast kwam mijn zoon met zijn tweede smeekbede precies op het juiste moment: na een paar apéritifs, in het zonnetje van de namiddag, één en al nostalgie en romantische vadergevoelens. De kleine rotzak.

Het was heet in het stadje, het wemelde van de toeristen, mijn vrouw en ik waren moe en onrustig. Waarom liepen we hier? Hoe hadden we ons kunnen laten overhalen? Ik rook mijn eigen zweet, zuur en scherp na een week lang dagelijks drinken. Zenuwbanen van strakgespannen prikkeldraad. Ik snakte naar een eerste drankje.  

Terwijl mijn zoontje, zijn vingers klam en heet op het glas van de counter, zijn geduld stond te verliezen, freesde de Franse middenstander van het messenwinkeltje de naam ‘Diek’ in het vlijmscherpe, acht centimeter lange lemmet. We waren omgeven door glimmende messen; stuk voor stuk waren het dodelijke, zilverkleurige tanden van de dood. Ik kan hem net zo goed hier nu zelf doodsteken, dacht ik. Dan hebben we het maar gehad.

Buiten op de stoep moest het mes uiteraard direct open. Ik ging naast mijn zoon op een stenen trapje randje zitten en was getuige van de ramp die komen zou, een catastrofe in actie. Ik kon nog ingrijpen; iedere seconde kon ik nog ingrijpen, maar ik deed het niet. Als in een nachtmerrie moest ik het allemaal machteloos ondergaan. Ik kon zelfs niet schreeuwen, mijn handen angstvallig vlakbij het mes dat werd vastgehouden door die zachte kindervingertjes. En toen ging het open. Het lemmet kwam tevoorschijn, zwijgend en kil als een beul vlak voor de executie, het metaal glanzend en gruwelijk, slechts centimeters verwijderd van het blote, zongebruinde, ongehavende bovenlijf van mijn zoon. Staal en huid, huid en staal. Ik voelde het in mijn ballen. Het licht weerspiegelde op het lemmet, zilver en fel. Ik was verblind. In die verblinding zag ik mijn zoontje als baby, als peuter, en voelde hem tegen me aankruipen onder de lakens van ons bed.

‘Wauw,’ hoorde ik hem nu zeggen, ergens in de verte. ‘Wauw…’