I. Een fabriekshal, nu tijdelijk een speelzaal. Paar zandbakken, trampoline, skelters, klimrek. Zelf koffie inschenken, ranja vrij af te tappen. Groot en koud. Eén warme-luchtinblazer. Ouders en kinderen. De kinderstemmetjes zijn ijl en scherp, alsof verpakt in aluminiumfolie. Ik probeer te schrijven. Jas aan, sjaal om. Om me heen zijn de andere ouders constant in beweging. Ze lopen achter snotterende kleintjes aan of gooien een bal over. Eén vader rijdt op een step, een andere strijkt een lok haar achter zijn oor en lacht; hij draagt felrode lakschoenen. Ouders in groepjes, in gesprek. Ik probeer te schrijven. Mijn jongste vraagt of ik kom overgooien en dat doe ik, maar niet lang. Mijn oudste klaagt over een strenge vader die hem heeft toegesproken, hoopt dat ik die zal aanpakken. Ik kijk hem aan en hoor hem praten maar ik zit in een zilveren bubbel. Het schrijven lukt niet; het hier zijn lukt ook niet. Ik hoor steeds die luchtinblazer door alles heen, over alles heen. Een jongetje trommelt op een leeg metalen vat. Het geluid beangstigt me; het gaat te hard, het kondigt iets verschrikkelijks aan.

II. De trein rijdt over een rivier of kanaal. Vanuit je raam zie je een man op een vrachtschip staan. De lucht is zilver en het water is zilver en zilver is het harde zeil dat over de scheepsvracht is getrokken. De man, in een fel oranje overall, schrobt de overspanning. Het regent zachtjes. Er is geen railing, geen bescherming. De enige hoop die hij heeft, als hij in het water valt, is dat de kapitein ineens een oranje stipje mist. De boot gaat vooruit, klieft door het dode water. Dat het schip een bestemming heeft lijkt van ondergeschikt belang. De man staat daar te schrobben, ijzig water aan alle kanten, verdoofd door de kou en de monomane stroom van zijn gedachten. Je ziet die man en je kent hem.

Mijn pa zegt dat ik mijn stukjes ook als nieuwsbrief moet versturen. Ik weet niet of daar animo voor is. Stuur me een mailtje als je op de mailinglist wilt: hendrik.v.straten@gmail.com. Mijn roman heet Bidden en vallen.