De secretaresse van de notaris belde. Mijn ex en ik moesten om 12:00 komen tekenen – kosten voor de aangepaste hypotheek, voor het op mijn naam zetten van onze woning – maar nog steeds was het geld niet op hun rekening bijgeschreven. Het stond duidelijk in de mail, zei ze: pas als het bedrag was overgemaakt konden we tekenen. Ik zei dat ik dat niet had gelezen. Dan moest ik het met spoed overmaken, zei ze. Prima, zei ik, maar of het al zó snel zou zijn bijgeschreven, dat betwijfelde ik. Dan kunt u niet tekenen, zei ze. Goed, zei ik. Dan tekenen we later wel. Daar schrok ze van. Zoveel nonchalance was ze niet gewend. Er waren regels in het leven. Kaders. Een bezoek aan de notaris nam je serieus. Ze begon te stotteren van verontwaardiging: ‘Later? Maar u hebt een afspraak om 12:00!’ Waarop ik riep: ‘Ja, maar we kunnen niet tekenen, zegt u net!’ 

Ik had het bericht heus wel zien binnenkomen. Het stond tussen mijn ongeopende mails. Een spijker in mijn hart. Liever maar laten zitten; eruit trekken zou alleen maar meer pijn hebben gedaan. Mijn nonchalance was in feite angst, maar op de school waar ze je opleiden tot secretaresse leren ze je dat vast niet.

Toen ze belde was ik mijn ex aan het helpen met het verwijderen van de meerdere lagen behang in haar nieuwe huurhuis. De vorige bewoner was een oude man, inmiddels overleden. Tijdens het scheuren en bevochtigen en schrapen dacht ik steeds aan zijn adem, die in dat behang moest zijn getrokken.

Om 11:45 reden we naar de notaris. Onze kleren waren vies. ‘Volgens mij moet je eigenlijk in nette kleding naar de notaris,’ zei m’n ex. Waarop ik meteen verontwaardigd brieste: ‘Dat ga ik dus mooi niet doen.’ 

De notaris zat tegenover ons in een generiek kantoor. Een tengere man in colbert en overhemd. Toen hij de kamer had verlaten om kopietjes te maken pakte ik het Natrena-doosje dat op tafel stond en liet zoetjes vallen in de beker met theelepels, in het bakje met paperclips en tussen de theezakjes. Klik, klik, klik. Tot de zoetjes op waren. Toen de man terugkwam tekenden we de papieren.

Op weg naar buiten liepen we langs de receptie. ‘Ik denk dat zij het is,’ zei mijn ex, en ze knikte naar een vrouw voor een computer. De vrouw staarde verbeten naar haar scherm en deed alsof ze ons niet zag lopen. ‘Ik denk het ook,’ zei ik. Ik wilde haar haten maar kon alleen maar medelijden hebben. Met ons allemaal. 


Mocht je deze stukjes nou automatisch per mail willen ontvangen, klik dan hier. Ook stel ik het op prijs als je ze deelt.