Ik zat in de trein van Amsterdam naar Eindhoven. Was onderweg naar huis. In Den Bosch kwam er een zwarte man in mijn coupé zitten. Hij was al aan het bellen toen hij binnenkwam en hij bleef dat de rest van de reis doen. Hij praatte grammaticaal incorrect Nederlands met een Afrikaans accent. Hij praatte als een vluchteling. Maar hij gooide er ook heel veel stoeren gangsta-lingo doorheen. Je weet toch, nigga. Bitches zus en bitches zo. Get rich or die trying. Dat laatste zei hij écht. Ik dacht: wonderlijk! Al die werelden die hier samenkwamen. Een potpourri van landen en culturen en identiteiten. Maar hij was me net iets te stoer en veel te luidruchtig. Hij hoopte dat de mensen meeluisterden, dat kon ik aan hem horen. Hij schepte op over zijn boetes voor te hard rijden op de motor. Een motor, stoer hoor. Ik vond hem irritant. En toch had ik ook respect voor ’m. Hij zat namelijk ook te vertellen over z’n nachtdienst als postsorteerder. Moest om drie uur ’s nachts beginnen. Van drie tot acht. Da’s nie niks. Enfin, en toen reden we Eindhoven binnen. Hij sprong overeind liep richting schuifdeur met een enorm overdreven swagger. Alsof hij de vrij bungelende penis van Jay Z was. Shirtje met korte mouwen strak gespannen om gespierde bovenarmen. Ondanks de kou een dun jasje. Nu vond ik hem écht irritant. Jazeker. Maar het werd nóg erger. Op het perron liep ik vlak achter hem. We kwamen bij de brede stenen trap. Hij nam die trap zijwaarts. Als een krab. Met heel vlugge pasjes. Tap-tap-tap. Zo snel dat hij de treden niet leek te raken. Mensen keken naar hem. Is dat niet Michael Jackson?! Nu vond ik hem écht irritant. Ik vond hem zelfs zó irritant dat ik me voorstelde hoe hij beneden aan die trap werd opgewacht door een hele dikke blanke PSV-hooligan,  hoe zijn tap-tap-tap-roetsj-vlucht naar beneden eindigde met een dikke witte knuist tegen zijn kaak en hoe hij languit en bewegingsloos op de tegels lag. Get rich or hou je smoel trying. Terwijl ik de trap afliep vroeg ik me af of deze voorstelling van mij een racist maakte. Ik dacht van niet. Ik wist zeker van niet. Daarna liep ik naar mijn fiets. Sneeuw op m’n zadel. Eind maart! Sneeuw!