papa is lief

Zijn oudere broer drong erop aan. ‘Ga gewoon mee zwemmen, Tobi.’ Mijn jongste wilde niet. Het waren de laatste dagen op de camping en het zwembad had glans verloren. Hij was drammerig, chagrijnig en had slaaptekort. Aldoor wilde hij dingen die van mij niet mochten en we hadden steeds meer aanvaringen. Nu moedigde ik hem aan om met zijn broer mee te gaan en niet weer alleen maar in ons houten huisje te hangen, om niet weer nadrukkelijk géén boek te lezen.

Uiteindelijk stemde hij in. Ik hing een handdoek om zijn schouders en gaf hem zijn duikbrilletje, zo eentje zonder neus, die wedstrijdzwemmers ook hebben. Die zette hij, zoals altijd, al meteen op. Met een diepe zucht ging hij het huisje uit.

Een minuut of drie later zag ik op de koelkast zijn magnetische armbandje liggen. Dat had hij nodig om door de poortjes van het zwembad te komen. Het is mijn gewoonte geworden om mijn zoons door schade en schande wijs te laten worden en in dergelijke gevallen uit principe geen actie te ondernemen, maar nu, in acht nemende mijn zoons gemoedstoestand en bovendien het feit dat zijn besluit om toch te gaan zwemmen al een concessie was geweest, greep ik het armbandje en liep ermee richting zwembad.

Zoals verwacht liep hij me tegemoet. Hij zag me nog niet; ik was nog een meter of dertig bij hem vandaan en hij staarde naar de grond, de grote handdoek nog om zijn schouders gedrapeerd en zijn brilletje nog op de ogen; de glazen waren compleet beslagen. Uit zijn lichaamstaal sprak niets dan verontwaardiging. Ik zag zijn mond bewegen. Ik bleef stilstaan. Nog steeds had hij me niet in de gaten. Mensen liepen hem voorbij, volwassenen en kinderen, maar hij sloeg acht op niemand. Hij was volledig in zichzelf gekeerd en verzwolgen door zijn eigen woede. Toen hij dichterbij was ving ik flarden op van wat hij aan het mompelen was: ‘… een uur lopen… helemaal terug… en papa is ook een kutmongool.’

Op dat moment stond ik ineens voor hem. Ik torende boven hem uit, het vergeten armbandje demonstratief bungelend tussen duim en wijsvinger. Na een overdreven kuch vroeg ik: ‘Wát is papa?’ Door de beslagen glazen keek hij geschrokken naar me omhoog. (Net een van de Minions.) Het ventileren van zijn woede, zojuist, was van hem alleen geweest. Eindelijk kon hij eens écht boos op me zijn; onredelijk boos, ongeremd boos, boos zonder repercussies. Maar nu ik voor hem stond had alles plots een andere lading gekregen. ‘Wát is papa?’ herhaalde ik.

‘Lief,’ antwoordde hij onzeker, waarop ik hem zijn armbandje gaf.


Je abonneren op deze stukjes? Zie hier de opties. Mijn meest recente boek heet Berichten uit het tussenhuisje.

het mysterie van de pok

Enkele weken of maanden geleden, toen de lente warm genoeg werd om met het raam open te slapen, viel het me voor het eerst op. Pok, pok, pok. Ergens in een tuin binnen dit huizenblok klonk het alsof er beachball werd gespeeld, met van die houten batjes en een rubberen balletje, maar er werd dan wel maar twee of drie keer heen en weer geslagen, dan weer een paar minuten helemaal niet, en ook werd het vaak midden in de nacht gespeeld, en nooit overdag, dus het waren waarschijnlijk toch geen potjes beachball.

Wat was het dan wel? Er gingen weken overheen. Ik werd er gek van. Bewoog er iets in de wind; een houten knutselwerkje aan een touwtje dat steeds tegen een schutting ketste? Nee, daar was het te willekeurig voor; ook overdag waaide het tenslotte wel eens en dan hoorde ik het niet. Ik kon het niet uitstaan. Hoorden die mensen het dan zelf ook niet? Welke tuin was het? Wat wás het? Ik ging met het raam dicht slapen, ondanks de warmte, en lag in het donker plannen te beramen. Ik zou dertig A4’tjes uitprinten die mijn probleem zouden uitleggen, gericht aan de mensen in kwestie, en ik zou die A4’tjes dan in dertig brievenbussen gooien. Maar overdag had ik dingen te doen, was ik afgeleid en leek de zaak plots minder urgent. Tot ik er ‘s nachts in bed weer met gespitste oren naar lag te luisteren: Pok, pok, pok.

Basta. Ik kon er niet meer tegen en stelde een onderzoek in. Ik stuurde berichtjes naar mensen in dit blok die ik kende, of zij wilden meedenken. Ik beet me erin vast. Uiteindelijk kreeg ik het advies om eens bij nummer X aan te bellen, in de straat hierachter. Ik was iets op het spoor!

‘Ja, dat kan wel kloppen ja,’ zei een man van begin dertig in zijn deuropening. ‘Ik heb een oehoe.’

Een uil! Het was een uil! Daarom hoorde ik het geluid alleen ’s avonds en ’s nachts. En daarom – nu begreep ik ineens alles – hoorde ik soms ook vreemd gekrijs en een soort, nou ja, oehoe-geluid.

‘Je mag wel even komen kijken.’ Hij liep voor me uit, zijn huis door, de achtertuin in, waar hij een houten constructie had gebouwd, een soort open hok. En daar zat de oehoe, in al zijn glorie, zeker een halve meter groot, een verendek dat golvend omhoog kwam en weer ging liggen, alert, zacht sissend, kwaad, wantrouwend, zijn ogen oranje zo fel dat het pijn deed aan mijn ziel; godallemachtig, zo mooi, alsof Jahweh en Lucifer er tegelijkertijd de wereld mee aanschouwden.

‘Dit is hem,’ zei de man. ‘Je hoort die ring, waarschijnlijk.’ Hij wees naar de dikke metalen ring om de poot, waaraan een ketting was bevestigd. In één zelfverzekerde beweging pakte hij toen de oehoe lomp bij z’n poten en hield hem bijna ondersteboven, waarna hij hem op het dakje van het hok neerkwakte. Onttroond en vernederd, deze koning, deze avatar van alles oer en wezenlijk.

Ik hoorde de pok. Het was de ring die tegen het dakje ketste. ‘Ik ben bezig met een nieuw hok,’ zei de man. ‘Dan hou ik er rekening mee en moet je er geen last meer van hebben.’

Op dat moment gebeurde er iets met de oehoe. Zijn verendek golfde hevig; hij leek compleet van vorm te veranderen en zijn oranje ogen zoomden in op iets in de lucht. Daar, in het blauwe hemelgewelf dat iedere dag opnieuw boven hem uitstrekte, maar waar hij alleen maar naar kon kijken, zeilde op de warme lentewind een meeuw. De oehoe zag ons niet meer; hij zag alleen nog maar die meeuw.

‘Nou, alvast bedankt,’ zei ik, en ik liet de uil daar achter, geketend aan een houten hok, in dat stadstuintje, waar hij de beste schrijver van Eindhoven wakker hield.    


Neem vooral een abonnement op deze stukjes. Dat zou ik leuk vinden. Het kan hier.

de schrijver en de babyspinnetjes

Gisteren kreeg ik weer een berichtje van een gescheiden man die Tussenhuisje had gelezen en me wilde zeggen dat het boek veel voor hem had betekend. ‘Weer’ impliceert dat ik die berichtjes vaker krijg, en dat klopt ook. Van mannen die gescheiden zijn en plots alleen wonen, en die in het boek troost of steun vonden. (Ook van vrouwen, trouwens.)

Mijn antwoord op deze man, gisteren, was min of meer hetzelfde als mijn antwoord op al die berichtjes. ‘Goed om te horen!’ Ik typte het, verstuurde het en ging in de tuin zitten kijken naar het kleine nest, gemaakt van web, met daarin tientallen babyspinnetjes. Iedere dag doe ik dat meerdere keren. Je moet heel goed kijken, want eerst lijken het zwarte stipjes, maar als je goed genoeg kijkt zie je dat het spinnetjes zijn. Soms blaas ik zachtjes en dan zoeken ze allemaal panisch een ander plaatsje op.

Dat ik dat nu ook weer deed is niet gek. Ik wilde weg van het berichtje dat ik had ontvangen. Ze geven me een ongemakkelijk gevoel, die berichtjes. Ik vroeg me af, turend naar mijn babyspinnetjes, waar het vandaan komt.

Ik weet het wel, denk ik. Ik wil niet dat ik slechts een boek over gescheiden zijn heb geschreven. Het gaat over meer dan dat, ik wil dat het over meer gaat dan dat, en dergelijke berichtjes geven me het gevoel dat mijn boek toch wordt gereduceerd tot dat ene thema.

Het is die mannen niet aan te rekenen. Helemaal niet zelfs. Het is míj aan te rekenen. Ik ben altijd bang dat mensen denken dat ik geen literatuur schrijf. Ach ja, dat dagboekje van Henk. Toch is het mijn eerste reactie om die mannen niet helemaal serieus te nemen, en me zelfs een beetje voor hen te generen. Want ze hebben het niet begrepen.

Een keer blazen: de spinnetjes rennen door elkaar heen en gaan weer stilzitten.

Wat een onzin. Er valt niets te begrijpen; je haalt uit een boek wat je eruit haalt. En belangrijker: waarom kan ik me niet gewoon vereerd voelen, en trots, als iemand zegt troost uit mijn werk te halen? Waarom zorgt zo’n berichtje ervoor dat ik van mijn plaats kom, panisch ga rondrennen en ergens anders weer een plekje moet vinden? Wat is dat?

Armoe, dat is wat het is. 

Het is een cliché, maar het is waar: dat het een kunst is om complimenten te kunnen ontvangen. Nou, laten we er dan maar meteen nog een cliché ingooien: je bent nooit te oud om te leren.

Gewoon blijven zitten. Dat is wat ik ga proberen. Blijven zitten en het accepteren. Misschien zelfs een beetje dankbaar proberen te zijn.


Een abonnement op deze stukjes nemen? Dat kan hier zowel betaald als gratis

influencers in de wachtkamer van de huisarts

Op tafel in de wachtkamer van de huisarts – don’t ask – ligt een stapel glossy’s. Een kwartier te vroeg, somber en moe, pak ik de bovenste van de stapel. Een Cosmopolitan. Een special over influencers. Pagina na glanzende pagina is gevuld met foto’s van, en interviews met, meisjes van tussen de twintig en dertig. Ze zijn succesvol, ze stralen, ze zijn puntgaaf. Hun roem hebben ze op Youtube en/ of Instagram. Aan honderdduizenden volgers tonen ze hun make-up, kleding of fitnessoefeningen. In hun interviews schijnt het soort bescheidenheid door dat alleen een succesvol iemand kan hebben, iemand die wordt benijd, die het in feite volstrekt logisch vindt dat het succes haar of hem is overkomen.

Om me heen zitten de andere wachtenden. Een man met een t-shirt waarop een monstertruck staat afgebeeld, met erboven de naam van een monstertruck evenement. Hij kijkt me steeds net iets te lang aan. Niet intimiderend, maar gewoon omdat hij niet doorheeft dat hij al te lang gebiologeerd naar me zit te staren, waarbij ook zijn mond een eindje openhangt. 

Het meisje dat we allemaal wel willen zijn, staat bij één van de influencers, die bakken met geld verdient door het promoten en uitproberen van verschillende soorten make-up, die de mooiste foto’s van zichzelf maakt en vertelt dat iedereen kan wat zij kan. Het is de mantra van de geslaagden: het is mij gelukt, dus iedereen kan het, als ze maar willen. The law of attraction. Volg je dromen en je zult goud vinden. En toch zo gewoon gebleven.

Een jong stel is er met een pasgeboren baby en een dreumes. Moe en uitgedijd zit de moeder op een stoel terwijl haar vriend, met opgeschoren haar en een lange gouden ketting bungelend aan zijn nek, zich liefdevol en moedig over hun ongehoorzame dreumes ontfermt. De moeder zucht en sluit haar ogen.

Ik blader door de foto’s. Allemaal hetzelfde soort meisjes. Allemaal wit en knap en jong, allemaal met dezelfde inhoudsloze interviews. Voor ieder van hen, vermoed ik, zijn er tien onzekere meisjes die thuis in hun huid snijden, met naast zich, op hun telefoon, de Instagram-foto’s van hun favoriete influencer, chillend op Bali, in badpak, met een perfect lichaam, drinkend van een kokosnoot. 

Er komen twee ambulancebroeders binnen. Een oude vrouw, die al een tijdje in een rolstoel zat te wachten, wordt door hen op een brancard gelegd. Hun uniformen zijn een maatje te groot, ze dragen afgetrapte gympen. Ze spreken haar kalmerend toe en maken grapjes in Eindhovens dialect die haar zichtbaar ontspannen. Zowel de dreumes als de man met het monstertruck t-shirt kijken er met open mond naar.

Als de dokter mijn naam roept sla ik de glossy dicht. Ze zitten nu gevangen tussen twee kaften, de influencers. Maar ik hoor ze nog. Hun galmende leegte achtervolgt me de spreekkamer in. ‘Geef toe,’ fluisteren ze. ‘Ook jij wil zijn als wij.’ 


Voor een gratis of betaald abonnement op deze stukjes: klik hier

henk of het klein insectenboek

Wat me opviel. Ja sorry, dit stukje gaat weer over dieren. Wat me opviel toen ik in de achtertuin zat te kijken naar een bij die in een blauwe, trechtervormige bloem was gekropen, was het gezoem. Het was hard gezoem, op een hoge frequentie. Een bij maakt natuurlijk sowieso al geluid tijdens het vliegen, door de vleugels. Ik ging ervan uit dat nu het geluid van de vleugels werd versterkt door de klankkast van de bloem, maar toen zag ik dat de vleugels netjes waren opgevouwen. Waar kwam het geluid dan vandaan? Plots begreep ik het. De bij was gewoon gewoon enorm aan het genieten. Zijn luide gezoem was het bijen-equivalent van ‘Hmmmmmm, heeeeeerlijk!’

Zo leer ik dus steeds meer over de natuur. Sinds ik de helft van de tegels in mijn achtertuin heb vervangen door planten heb ik een klein biotoop gecreëerd. Een mini-oerwoud. Het is fascinerend om te zien dat er, schijnbaar uit het niets, ook fauna is ontstaan.

Eén van mijn favorieten is het springspinnetje. Zo noem ik hem. Ik heb net zoveel recht om het spinnetje een naam te geven als een bioloog of ontdekkingsreiziger. Niemand weet hoe de spin wérkelijk heet; alleen de spin zelf, en die houdt het vooralsnog geheim. Het springspinnetje is piepklein, zwart-wit gestreept en heeft geen web. Hij springt, dat is zijn ding. Met een tjoep springt hij van het ene blad naar het andere. Soms overbrugt hij wel drie centimeter. Ter vergelijking: stel je voor dat een mens vanaf de straat op het dak van een huis springt. Dat is niet niks, en dat weet het springspinnetje zelf ook. Hij doet het dan ook niet achteloos. Ik zie hem eerst altijd inschatten en afwegen. Dat duurt even, je ziet hem nadenken. En dan: tjoep. Waarop ik begin te applaudisseren.

Sinds kort wonen er ook felgroene sprinkhanen. Die keuvelen het liefst samen op de bladeren van de inmiddels reusachtige zonnebloemplant. Ik vermoed dat ze ervan eten, maar dat zie ik door de vingers. Over de slakken wil ik het niet hebben, daarover heb ik eerder al geschreven en dat blijft een moeilijk onderwerp. Ik ben er niet trots op.

Eergisterenavond aten mijn zoontjes en ik dorade uit de oven. Het was mooi weer, dus we aten buiten. De vliegen kwamen. Tientallen. ‘Gewoon negeren.’ Dat lukte nog wel, maar ook verschenen er twee wespen, en die zijn nu eenmaal moeilijker te negeren. Mijn jongens aten snel hun bord leeg en renden het huis in. Ik daarentegen bleef kalm zitten, als een boeddhistische monnik tussen de vlammen. Ze gaven elkaar geen rust, de vliegen en de wespen, maar ook de vliegen elkaar niet. Nog nooit had ik zoveel begrip gehad voor de vlieg. Het was verdomme niet makkelijk: je hebt eten gevonden, daar kun je één hapje van nemen en dan word je alweer gestoord door een andere vlieg. Ze gunnen elkaar helemaal niets, die vliegen. Er is ook niemand die voorstelt om een rij te vormen of nummertjes te trekken. 

Maar het mooiste vond ik dit: een wesp die haastig een stukje dorade afzaagde en ermee wegvloog. Dat had ik nog nooit gezien. Een mooi kubusvormig blokje dorade tussen zijn poten, en weg was hij. Opnieuw applaudisseerde ik, in de achtertuin, in mijn eentje, tussen de gonzende vliegen.


Deze stukjes per mail ontvangen? Klik hier.