ganzen/ meerkoeten/ eend

Dit stukje gaat alweer over dieren. Misschien kan ik de stukjes te zijner tijd bundelen en er een bestiarium van maken, dan heb ik weer een boek. (Overigens, leestip: A Ted Hughes Bestiary.)

Hoe dan ook, gisteravond rond een uur of negen liep ik over de Meidoornsingel in Rotterdam Noord. Mijn hoofd was druk; ik snapte niet dat het er allemaal inpaste: Trump en zijn kindergevangenissen/ de sneller-smeltende Zuidpool/ mijmeringen over liefde en leven/contemplaties over werk/ de wandelroute naar de tramhalte/ en had ik eigenlijk wel genoeg gegeten? Ik liep langs het water en passeerde een groep ganzen. Er waren veel jongen bij. Geen kuikens, maar pubers, hun restje dons rafelig en bespottelijk. Ook andere mensen liepen hen voorbij. In al die andere mensenhoofden, wist ik, was het ook druk. Auto’s reden over de singel, parallel aan het kanaal. Drie ganzen staken een kruispunt over, een auto remde voor ze. In die auto: meer drukke hoofden.

Wachtend bij de tramhalte zag ik een meerkoet, ook met jongen, maar deze jongen waren kleiner, haar nest op het kleine stukje oever tussen het water en de weg en de tramhalte. Ze spreidde haar vleugels uit over haar kuikens. Aan alle kanten waren mensen en auto’s en trams, en op dat stukje oever, ertussenin, woonde zij. Het was niet gek, het was zoals het was. Je leeft waar je leeft. Dat gold voor mij en dat gold voor de meerkoet.

De tram kwam, ik stapte in. Door het raam zag ik de meerkoet en haar jongen nog zitten. Ik zat in een metalen constructie, voortgedreven door elektriciteit, met iemand voorin, op een stoel, met een soort stuur, en diegene besloot nu dat we gingen rijden, met weer een druk hoofd.

Verderop, we reden nog steeds parallel aan het kanaal, zag ik een eend, en precies toen ik de eend zag duwde hij zichzelf een eindje uit het water en spreidde hij zijn vleugels, in een soort gebaar van overwinning, of misschien gewoon om even zijn spieren te rekken. De eend moet ons gezien hebben, de tram, de metalen constructie met drukke hoofden erin; als een abstracte vorm gleden we aan hem voorbij, de wielen piepend in de rails. Maar we kwamen zijn hoofd niet in, we bleven niet hangen. Uit het zicht, uit het bewustzijn. Zijn hoofd weer tram-vrij.

Ik dacht nog lang aan die ganzen en meerkoeten en aan die eend. Hoe ze zich hadden genesteld tussen onze drukke hoofden. Niet erin, maar ertussen. Al die hoofden, in auto’s, in trams, op fietsen, met haar erop, en oren eraan, en ogen erin, en alles dat erin blijft hangen, alles dat opstapelt, steeds zwaarder, steeds meer, complete werelden in die hoofden, oorlogen en de dood en geboorte en liefde, onderweg, verzamelend, zonder filter, voller en voller, en zie daar een zwangere vrouw: straks nog meer drukke hoofden erbij, en die ganzen en meerkoeten en eenden ertussen genesteld, op een steeds smallere oever.


Je abonneren op deze stukjes, of een eenmalige donatie doen, kan hier

muizen

De muis, onbevreesd vanwege de stilte, loopt kalm door mijn huiskamer. Haar lichaamstaal verraadt routine en vanzelfsprekendheid; blijkbaar is dit huis evengoed van haar als van mij. Ik zie haar vanuit mijn ooghoek, zittend op mijn meditatiekussen. Als ik mijn hoofd naar haar toedraai ziet zij mij ook. Een fractie van een seconde bewegen we allebei niet. Dan sta ik op – om wat te gaan doen? – en rent zij de keuken in, waar ze verdwijnt in een gat in de hoek van de vloer.

Ze schiet het gat in en rent onder de vloer door, langs oud spinrag, door nauwe gangen. ‘Hij heeft me gezien,’ zegt ze, buiten adem, aangekomen bij haar man en kroost. De kinderen beven. De vader, geschrokken, weigert in paniek te raken en wil weten: ‘Hoe reageerde hij?’

‘Hij zat te mediteren en stond op toen hij me zag.’

‘Mediteren,’ mijmert de vader. ‘Dat is goed, dat is mooi. Het duidt op compassie. Misschien oefende hij liefdevolle vriendelijkheid en mededogen voor alle levende wezens.’

Verwachtingsvol kijken de kinderen naar hun moeder: zal ze hun vaders woorden beamen? ‘Ja,’ zegt ze. ‘Misschien.’ De angstige twijfel in haar ogen kan ze niet verbergen.

‘Het kan toch, mam?’ vraagt de kleinste. ‘Dat het zo is, wat papa zegt?’

Het is dan dat de muizen de eerste rrrats! horen van een strook tape die van de rol wordt getrokken. Dan nog eens, en nog eens. De kinderen, die niet weten wat het betekent, kruipen dichter tegen elkaar aan. Moeder en vader staren elkaar in de ogen; al voor het beetje licht in hun hol begint af te nemen weten ze wat er gebeurt.

‘Het is dicht,’ zegt de vader. ‘Het gat is dicht.’ De kinderen beginnen te huilen. De moeder kijkt om, wil nog iets zeggen, zwijgt.

‘Hij zal tot inkeer komen,’ zegt de vader. ‘Je hebt hem zien mediteren. Het moet hem iets doen. Het moet aan hem knagen.’ 

De moeder knikt en glimlacht zo geruststellend als ze kan naar haar kinderen. Maar ze weet meer dan ze laat merken. Ze is vaker bovengronds geweest en heeft meer gezien dan alleen het mediteren. Ze weet van de writer’s block, van de postnatale depressie na het boek, van het liefdesverdriet, van de geldzorgen. Ze weet van het zelfbeklag. Geen ruimte in het hart voor muizen, vreest ze. 

’s Nachts in bed kan ik voelen hoe ze daar beneden tegen elkaar aan gekropen zitten, hoe ze de hoop erin houden en een beroep doen op mijn geweten. De moeder hoopt dat ik tot inkeer zal komen, dat ik zal inzien dat ik zonder compassie voor de muizen nooit werkelijk compassie voor mezelf zal kunnen hebben, en nooit werkelijk zal kunnen liefhebben.

‘We zingen het nog wel even uit,’ zegt de vader tegen haar, zijn pootje in het hare, hun kinderen onrustig slapend rondom hen. ‘Geef hem tijd,’ zegt hij.

De moeder knikt. Twee verdiepingen hoger lig ik te woelen, woelen, woelen.


Je abonneren op deze stukjes kan hier

de slakken

Overdag zul je het aan mijn stadstuin niet zien. Ze staan er allemaal mooi bij: de varens, de hibiscus, de wolfsmelk, de witte bes, de kleine eik, de stokroos. Iedere plant een andere tint groen dan de anderen, een zacht en levend palet dat ademt en schittert in de zon. Ook zou je geen idee hebben wanneer je mij, zo rond een uur of acht, ziet sproeien. Gisteren draaide ik tegelijkertijd Van Morrison. Ik zong mee. Het moet er gemoedelijk uit hebben gezien. Je zou niets hebben vermoed.

Maar dan, als het donker is, voordat ik naar bed ga, loop ik opnieuw de tuin in. Mijn houding is anders: licht gespannen, geconcentreerd. Ik heb een zaklamp en een emmertje. Er staat geen muziek op. Ik ben een stiekeme sluiper, alsof ik niet wil dat ik door mezelf word betrapt.

In het witte LED-licht van de zaklamp doemen ze op. De slakken. Ik schrik, ook al gaat het me om hen, ook al ben ik naar ze op zoek. Ze zijn met zoveel dat het – zeker in het donker – eerder hun wereld lijkt dan de mijne. Kleintjes en grote, naakte en behuisde. De slakken die ik als eerste zie begeven zich nog op de tegels en hebben elkaar opgezocht, alsof betrokken bij een soort seance. Anderen bewegen zich solitair voorwaarts, richting mijn planten. En richt ik mijn zaklamp op de planten, dan zie ik er nog veel meer, hun slijmsporen glinsterend op de bladeren. Ik verman me.

Toen ik me voor het eerst van het probleem gewaar werd was ik nog vriendelijk. Ik zag alleen de paar slakken die ’s ochtends nog niet naar hun schuilplaatsen waren vertrokken, dus ik dacht dat het wel meeviel. Ik pakte ze en zette ze uit in het achteromgangetje. ‘Ze komen meteen weer terug,’ zei mijn moeder al. Ik was nog onschuldig toen, ik was een ander mens. Maar toen scheen ik dus een keer in het donker met die zaklamp. Tientallen, misschien wel honderd zag ik er. Al mijn planten waren aangevreten. Van mijn rode kool is inmiddels amper nog iets over.

Massamoord: je weet pas dat je het in je hebt wanneer je er al mee bezig bent. De aarzeling en het geweten mogen geen kans krijgen; rücksichtslos is de enige manier. Dus ik pak iedere slak die ik zie en werp hem in het emmertje. Baby’s en papa’s en mama’s. Mijn vingers kleven van het slijm, maar ik negeer de walging. Muggen steken me, motjes fladderen in de lichtbundel, spinnen rennen weg, maar kleinzerigheid heeft hier geen plaats. Ik ben een demoon in de nacht, ik besta uit duisternis. Als ik geen slakken meer kan vinden loop ik met het emmertje de keuken in, waar de waterkoker al heeft staan borrelen. En dan is er dat moment. Die seconde waarin je niet mag aarzelen, omdat in aarzeling het geweten leeft. 

In bed krab ik aan de verse muggenbulten. Buiten hoor ik geritsel van voeten. Het klinkt dichtbij. Het moet wel in mijn tuin zijn. Ik weet wie daar is. Ik weet wie daar sluipt.


Je abonneren op deze stukjes kan hier. Mijn nieuwe boek heet Berichten uit het tussenhuisje.

larmoyant

De man verscheen uit het niets. Ik was net het cafégedeelte van het kleine maar gezellige theater in Boxmeer binnengelopen en stond te kletsen met een vrouw van het literatuurprogramma waaraan ik zou meedoen, toen de man opdoemde als die ene ober in Het Klokhuis, die als een geest uit de fles plots aan het tafeltje staat, nog net niet met een kleine explosie en wolkje rook. 

Het exacte moment van zijn magische verschijning was toen de vrouw me had gevraagd of ik alweer met een nieuw boek bezig was, en zo ja, wat het zou worden. ‘Fictie,’ antwoordde ik. ‘Ik ben even klaar met het ontleden van mijn eigen leven.’

En poef. Daar stond hij, hoog en kaarsrecht, een lange man van in de vijftig met een overhemd keurig in de broek. ‘Gelukkig,’ was het woord dat hij uitsprak, met een zucht van opluchting.

Ik knipperde een keer verward met mijn ogen. Waar was deze man ineens vandaan gekomen? Tijd om te informeren naar zijn toverkrachten had ik niet, aangezien hij al verder praatte: ‘Ik vind je fictie veel beter,’ zei hij, zonder enig ongemak. ‘Dat laatste boek was larmoyant en stond vol met tegeltjeswijsheden.’

Ik stond hem nog steeds perplex aan te staren. Door wie was deze geest gezonden? Was hij een hallucinatie? ‘O,’ stamelde ik met een lachje. ‘Nou, oké. U heeft geluk, ik ga weer fictie schrijven.’

‘Veel beter,’ zei hij direct. Hij keek me aan met een mengeling van zelfgenoegzaamheid en vermaak. Deze man was gewend te zeggen waar het op stond en had daar het volste recht toe. Een integere man, een man zonder omwikkelde doekjes.

Toen we elkaar zo een tijdje hadden staan aanstaren, en ik eerlijk gezegd toch ook wel benieuwd begon te worden naar de goocheltruc waarmee hij zichzelf weer zou laten verdwijnen, zei hij met een glimlach: ‘Je bent toch niet gekwetst?’

‘Nou, niet heel erg nee,’ zei ik. ‘Maar wel een beetje.’ Zoiets doet op z’n minst altijd een kléín beetje pijn, alsof iemand je uit het niets kort maar fel in je tepel heeft geknepen. Ik ben tenslotte ook maar een wandelend ego.

Maar dat vond de man maar onzin. ‘Kom op zeg,’ zei hij, verontwaardigd. ‘Zo’n dunne huid heb je toch niet?’ Hij was nu teleurgesteld in zowel mijn laatste boek als in mijn gebrek aan een dikke huid. 

Ineens was hij verdwenen, maar na het programma – poef – doemde hij weer op, dit keer met mijn roman Bidden en vallen in de hand. Die moest ik signeren. Ook dicteerde hij wat ik erbij moest zetten. ‘Mijn beste boek,’ moest ik opschrijven. Hij keek mee terwijl ik het schreef. Waarschijnlijk verwachtte hij dat ik ook dit nog zou verkloten.


Abonneren op deze stukjes? Dat kan hier. Het larmoyante boek vol tegeltjeswijsheden heet Berichten uit het tussenhuisje.

krassen

Gisteren bezocht ik een middelbare school. Het waren twee groepen met 4 en 5 VWO leerlingen, geloof ik. Een rijke, witte school. De leerlingen waren verzameld in de gymzaal en zaten op stoeltjes en banken, begeleid en in toom gehouden door hun lerares Nederlands. Ik vertelde wat ik altijd vertel: over mijn eigen tijd op de middelbare school, en verder vanaf daar, tot nu, vanzelfsprekend toegespitst op dit schrijfgedoe.

Hoe ik altijd achterin de klas zat, ongeïnteresseerd, vaak stoned, en de logo’s van punkbands op mijn agenda en schriften kladde of met een passer in mijn huid kerfde. Hoe ik nooit boeken las. Hoe het nooit in mijn eigen lerares Nederlands zou zijn opgekomen dat ik later schrijver zou worden. (Ik sprak haar een paar jaar geleden omdat ik haar toevallig was tegengekomen in de trein, toen ze me verbitterd vertelde dat kinderen van nu niets meer lezen en totaal verloren zijn. Waarop ik antwoordde: ‘Maar mevrouw B., ik was toch ook zo?’)

Later, thuis, met dat schoolbezoek en mijn eigen schooltijd nog in mijn gedachten, herinnerde ik me ineens dat ik ook een tijdje herhaaldelijk op schriften of tafelbladen de naam Michael schreef. Michael was een oudere jongen die een vriendje en ik hadden leren kennen op een camping in Frankrijk, waar we naartoe waren gegaan met de ouders van dat vriendje. We waren veertien. Michael was er ook met een vriend. Zij waren ouder en zonder ouders op vakantie. Surfers en punkers waren het. We mochten van hun wiet roken en ze namen ons een keer ’s nachts stiekem mee naar een feest. Ik vond Michael zo stoer, zo cool, zo aardig en zo perfect. Toen we weer thuis waren schreef ik dus steeds zijn naam. Het was een mengeling van bewondering en affectie die grensde aan verliefdheid. Zijn naam schrijven had iets magisch, het voelde krachtig, alsof het een toverspreuk was of voodoo: de letters schrijven, de naam zien ontstaan, ernaar staren. Dicht bij hem willen zijn.

Het was maf om me dit ineens te herinneren. Het kwam uit de donkere diepzee van mijn geheugen. Maar ik begreep het en ik voelde het weer. En ergens heb ik de drang misschien nog steeds om, zoals toen met die punkbands, bijvoorbeeld ‘John Cheever’ op een schrift te schrijven, of ‘P.F. Thomése’. Maar je wordt ouder en cynischer en voor je het weet lach je besmuikt om de goesting die opborrelt uit dat plekje in je hart waarin je nog altijd een zuiver kind bent. 

Of ik spijt had van dingen die ik in mijn jeugd had gedaan, vroeg een leerling, nadat we het ook over drugs en dergelijke hadden gehad. Ik wist me geen raad met die vraag. Ik kan het me simpelweg niet voorstellen. Hoe anders.


Ik schrijf deze stukjes zonder opdrachtgever. Mocht je een eenmalige donatie willen doen dan kan dat hier. Mijn nieuwste boek heet Berichten uit het tussenhuisje.