schildpaddeneiland

We were nothing to them. I think now of the great value we put on what we were and I wonder what does it mean when other people judge you to be worth so little you were only to be killed? How our pride in everything was crushed so small it disappeared until it was just specks of things floating away on the wind. Where was my mother’s courage then? Was it dust too? We thought the world was called Turtle Island but it turned out it was not. What does it do to your heart, what did it do to mine?

Nothing, nothing, nothing, we were nothing. I think about that and I think it is the very rooftop of sadness. 

Een passage uit de nieuwe roman van Sebastian Barry, A Thousand Moons, verteld vanuit het perspectief van een inheems Noord-Amerikaans meisje (van de Lakota stam) tijdens de negentiende eeuw. Oftewel: het Wilde Westen. Iedereen van haar familie is afgeslacht of verdreven. Zij weet te overleven; ze leert Engels en wordt geadopteerd door twee (heimelijk) homoseksuele ex-soldaten die vochten voor Abraham Lincoln tijdens de Civil War.

Wat betreft Sebastian Barry: het maakt niet uit welk boek van hem je koopt; het is sowieso steengoed. Een rasverteller. Wel kun je, voordat je dit boek leest, beter eerst Days Without End lezen, want dat is de voorganger. Al maakt het, bedenk ik nu, misschien helemaal niets uit.

Ik zat net op de wc naar de ansichtkaart aan de muur te staren die ik kocht in de souvenirshop van het Museo de América in Madrid, een museum over de Spaanse koloniën in Zuid-Amerika. Het deed me aan de bovenstaande boekpassage denken. Het is een schilderij met links een groep Spaanse conquistadores en rechts een groep inheemse bewoners. De aanvoerder van de Spanjaarden aanvaardt een geschenk—een soort bloemenkrans—van de aanvoerder van de stam. Achter hem, dus achter de Spaanse legeraanvoerder, staat zijn leger klaar, tot aan de tanden toe bewapend en klaar om aan te vallen. Ik kocht de ansichtkaart vanwege dat stuitende gebaar: het aannemen van een geschenk om daarna iedereen af te slachten. Het schilderij leek het te verheerlijken; ik denk althans niet dat de schilder—zelf een Spanjaard uit die tijd—het als aanklacht bedoelde.

Het museumbezoek was tijdens een paar dagen Madrid met mijn vader. Allebei vonden we Madrid een mooiere stad dan Barcelona. Statige gebouwen, brede straten, mooi parken, en vooral: minder toeristisch. We stonden vroeg op wandelden door de frisse, zonnige winterochtend terwijl de stad tot leven kwam. Ik was herstellende van hevige griep; de naweeën ervan zouden nog weken duren; ik denk nog steeds dat ik corona had.

Dat namen ze ook mee, de witte belegeraars van zowel Noord- als Zuid-Amerika: virussen. Dat was handig, want die ziektes namen hen veel moordwerk uit handen.

Het is een schitterend museum, het Museo de América, maar echt aandacht voor de duistere kant van hun kolonialisme hebben ze nog altijd niet. Met geen woord of beeld worden het bloedvergieten, onderwerpen, verkrachten en bekeren belicht. Daar zijn ze blijkbaar nog niet klaar voor. Het is nog steeds: kijk eens wat een mooie kunstvoorwerpen uit de koloniën! Dat mag, maar als je de keerzijde helemaal weglaat dan wordt het een beetje akelig en ongemakkelijk.

Daarom is zo’n boek als dat van Sebastian Barry zo mooi en goed, waarin de stem van een inheems meisje zo echt wordt dat je haar haast kunt horen. (Ik vraag me af of hij al kritiek of agressie van social justice warriors te verduren heeft gehad, geredeneerd vanuit het principe dat een witte man uit Ierland het recht niet heeft om een personage met een andere culturele achtergrond op te voeren, zoals bij American Dirt van Jeanine Cummins gebeurde; zij werd dusdanig bekritiseerd en bedreigd om het opvoeren van Mexicaanse immigranten in haar roman dat ze afzag van haar boektour.)

Maar dan nu even dit zinnetje uit het begincitaat: We thought the world was called Turtle Island but it turned out it was not. De oorspronkelijke bewoners van Noord-Amerika noemden de wereld dus Turtle Island. Ik heb even opgezocht hoe dat zit. Nou, de mythe is als volgt:

The earth was the thought of a ruler of a great island which floats in space and is a place of eternal peace. Sky Woman fell down to the earth when it was covered with water, or more specifically, when there was a “great cloud sea”. Various animals tried to swim to the bottom of the ocean to bring back dirt to create land. Muskrat succeeded in gathering dirt, which was placed on the back of a turtle. This dirt began to multiply and also caused the turtle to grow bigger. The turtle continued to grow bigger and bigger and the dirt continued to multiply until it became a huge expanse of land.

Dat is weer eens wat anders dan onze zes dagen, en rust op de zevende.

 


Je bent van harte welkom om abonnee op deze stukjes te worden. Klik hier.

meesterhorlogemaker

Mijn horloge liep niet meer. Het batterijtje vervangen hielp niet. Meer kon de juwelier in de buurt niet doen; ik moest naar een echte horlogemaker. Het is een authentieke IWC, een oude, en dus zou alleen een ware vakman volstaan. Na wat gegoogle en enkele teleurstellingen kwam ik uit in het dorpje Asten, een halfuur bij Eindhoven vandaan. Het was heerlijk om ernaartoe te rijden: provinciale wegen langs weilanden en bossen in het zonnetje.

Harrie Derksen: meesterhorlogemaker; het certificaat hing aan de muur, tussen tientallen tikkende muurklokken. Wat een woord: meesterhorlogemaker. Een oudere man al, grijs en tenger. Zijn winkeltje schuine streep werkplaats was maar klein. Op zijn deur hing geen notificatie over corona, niets over afstand houden of niet naar binnen mogen met meer dan twee personen.

Hij nam het horloge aan met zijn blote hand. Hij sproeide er geen ontsmettingsmiddel op. In zijn handen liet hij het een paar keer rondgaan, met een geconcentreerde blik, alsof hij door het metaal heen naar het uurwerk kon kijken. Eventjes dacht ik werkelijk dat hij zonder het horloge open te maken zijn diagnose zou geven. Maar nee. Hij zou me bellen als hij wist wat het zou gaan kosten. Ik vroeg of hij ook het goud kon polijsten. Dat kon hij. Dat was geen probleem.

In zijn werkplaats ging hij voor zijn computer zitten. Wat was mijn naam, mijn adres, mijn telefoonnummer. Toen ik al die gegevens had verstrekt rolde hij met zijn stoel naar printer, die vervolgens mankementen vertoonde. Hij begon eraan te prutsen. 

‘Ik hoef geen bewijsje hoor,’ zei ik na een paar minuten. ‘Ik geloof het wel.’

Maar dat wilde hij niet. ‘Ik vind dat toch wel belangrijk,’ zei hij. ‘Als ik straks onder een bus kom dan weet niemand waar je horloge is.’

Die logica volgde ik niet helemaal, maar ik vond het prima. Het getik van de tientallen klokken maakte me een beetje duizelig, dat wel. Harrie zat het klaarblijkelijk niet dwars.

‘Zo,’ zei hij. ‘Het lukt al.’ De printer spuwde een bon uit en tegelijkertijd startte het overdonderende gedingdong van al die klokken. Er kon geen misverstand over bestaan dat het drie uur ’s middags was.   

Wat me bijbleef, toen ik over die vriendelijke weggetjes terug naar huis reed, was de nonchalance en vanzelfsprekendheid waarmee Harrie tussen als die tikkende klokken over zijn hypothetische ongeluk met de bus had gesproken.

Alsof zijn sterven een kwestie van tijd was.

 


Een gratis abonnement op deze stukjes neem je HIER.

stemmen op de overloop

’s Avonds had mijn oudste zoon met vrienden op straat gehangen. ‘Pap!’ riep hij enthousiast toen hij thuiskwam. Hij had iets gefilmd. In de lucht. Een gek lichtje dat bewoog. Hij liet het me zien; ik had geen idee wat het was. Hij zoomde erop in: het lichtje werd een soort luminescente kwal. Ik plaatste het filmpje op Instagram. ‘Een drone,’ zeiden sommigen. ‘Een wensballon,’ zeiden anderen.

Toen hij naar boven liep om zijn pyjama aan te trekken bleek zijn broertje, die ik een halfuur eerder naar bed had gebracht, nog wakker te liggen. Vanuit de huiskamer hoorde ik ze zachtjes praten. Wat er aan de hand was, wilde mijn jongste weten. Mijn oudste gaf antwoord. Ze bleven praten. Wat ze precies zeiden kon ik niet verstaan. Het ontroerde me. Hun stemmen klonken zo anders. Niet dat haastige, niet die haat en nijd, die concurrentie. Nee, open en kalm, en warm. Broederlijk, haast volwassen.

Het waren stemmen op een overloop in het donker, en dat is een aparte categorie. Ik kan het niet uitleggen.

Het sterkst is dat gevoel wanneer je in een vreemd huis logeert. Of wanneer mensen bij jou logeren. De dag is al voorbij, je hebt je al min of meer in je eigen wereld teruggetrokken. De overloop—bijvoorbeeld op weg naar de badkamer—is dan een overlap van die verschillende eigen werelden. Het kan spannend zijn; liever kom je er niemand tegen. Maar ook kan het knus zijn; juist de kwetsbaarheid voelt intiem en troostrijk.

Als je met iemand samen bent dan is zo’n overloop ook weer anders. ’s Nachts in een vakantiehuis met je kind naar de wc lopen, door het donker, fluisterend.

Die stemmen, hoe die dan klinken, dat is wat ik bedoel.

Of met je geliefde. Ik weet nog één van de eerste keren dat ik met mijn ex-vriendin in het grote huis van haar ouders logeerde. De overloop daar was gigantisch, met van dat heerlijke tapijt onder je blote voeten. Maar ook was de badkamer ver verwijderd van onze slaapkamer. Ik moest plassen en zag er tegenop; God weet wie ik zou tegenkomen. Toen zij, mijn ex, slaperig uit bed stapte om te gaan plassen, zei ik snel: ‘Ik ga mee!’ Ze liep voor me uit en hield mijn hand vast. Ik was het kind dat door haar naar de wc werd begeleid. ‘Het is oké,’ zei ze. Ik fluisterde iets terug. Stemmen op de overloop.

Die stemmen, die bedoel ik.

Later, toen het al een tijdje uit was tussen ons en we toch weer heel even contact hadden, vertelde ik haar over dat moment, en hoe goed ik me het nog kon herinneren, hoe bijzonder het voor me was geweest. Maar zij wist het niet meer.

Het is een confronterende en verdrietige gedachte: dat je van een relatie allebei verschillende dingen onthoudt, en dat die relatie dus voor de één in feite heel anders was dan voor de ander.

Gelukkig zijn er ook altijd dingen die je je wél allebei hetzelfde herinnert. Misschien is dat de liefde die nooit overgaat, en waar je altijd naartoe terug kan. No one you love is ever truly lost, schreef Hemingway. Ik probeer het zo te zien. Daar het mooie van in te zien. Er niet nog verdrietiger van te worden.

Misschien mis ik dat het meeste van alles: onze stemmen op de overloop.

En dat lichtje in de lucht? Het verlossende antwoord kwam van wetenschapsjournalist Govert Schilling: mijn zoon had het ISS ruimtestation gefilmd.

 


Je kunt je op deze stukjes gratis abonneren en wel HIER.

een soort van rectificatie

Naar aanleiding van mijn stukje van gisteren kreeg ik een mail van een mevrouw die zich wilde uitschrijven als abonnee. Het allerlaatste zinnetje zat haar dwars. Ik had geschreven dat ik met mijn jongens naar het bos zou gaan, en ik eindigde met: ‘Lekker naar bejaarden hoesten.’

Humor kan ingewikkeld zijn. Zelf ben ik niet zo van de heilige huisjes. Mijn criterium is meestal: hoe denkt de persoon die de grap maakt er werkelijk over? Maar ook dat is natuurlijk geen exacte wetenschap, en dus zijn er verwarrende marges.

Ik stuurde de vrouw een mail terug waarin ik zei dat het een grapje was geweest, dat ik uiteraard niemand in het gezicht ging hoesten en dat ik de situatie wel degelijk serieus nam. Een grapje maken staat niet gelijk aan: het kan me niets schelen. Ik haalde een voorbeeld aan: mijn vriend Theo Maassen verloor al vroeg zijn moeder, vader én jongere broertje aan kanker. In zijn laatste cabaretprogramma noemt hij hen grappend ‘K3’. In mijn mail aan de vrouw stelde ik haar de vraag: ‘Denkt u werkelijk dat hij niet om hen rouwt?’ 

Het was goede mail, vond ik zelf. Sluitend en helder. De vrouw had zich bedacht en bleef abonnee, schreef ze. Ze had mijn stukje gelezen vlak na het middagjournaal en was daardoor een beetje van slag geweest.

Maar toen, of eigenlijk zojuist, las ik in de Volkskrant een verslag van een Brabants ziekenhuis. Ik las over patiënten die van de IC afkomen, en die het dus gered hebben, maar die permanente longschade hebben opgelopen en, misschien erger, met ernstige psychische problemen blijven zitten. Hun periode aan de beademing heeft zich vertaald naar aanhoudende nachtmerries waarin ze verdrinken.

Dat laatste detail zorgde voor een empathisch medeleven dat ik eerder nog niet gevoeld had. Ik besteed deze dagen thuis, de zon schijnt, ik zie het nieuws, ik zorg voor m’n jongens; het bleef allemaal vrij abstract. Ik besefte dat ik nu, vandaag, dat laatste zinnetje misschien niet aan mijn stukje zou hebben toegevoegd.

Zo zie je. Dat is het lastige met de werkelijkheid: je hebt er nooit echt grip op. Ben ik nu ineens van mening dat mijn grapje echt niet door de beugel kon? Nee, dat ook niet. 

Net kreeg ik weer een mail, nu van een andere vrouw. Ze schrijft: ‘Hahahahaha, je slotzin is het enige grappige in deze kuttijd.’

Zo zie je, zo zie je. De ene vrouw kwets ik, de andere bied ik een beetje verlichting. Ik weet het verder ook niet. We doen uiteindelijk maar wat. En zo kom ik toch weer uit bij dat criterium: hoe denkt de persoon die de grap maakt er werkelijk over? Misschien is dat het enige waar we op af kunnen en moeten gaan.

Ik schrijf dit aan de tafel in de huiskamer, voor het raam. Ik kijk uit op de hazelaar in mijn voortuin, die me spoedig het zicht op de straat zal ontnemen. Ter afsluiting dit keer een haiku:

De blaadjes groeien.

Iedere dag meer blaadjes.

De herfst heeft geduld.

 


Abonneer je op deze stukjes! 

ondertussen, cont’d

Ik heb duiven op m’n dak en ik slaap op zolder. Deze dagen word ik dus rond half zes wakker. Ik weet niet wat ze daarboven precies aan het doen zijn, maar dat ze de voorschriften van het RIVM aan hun laars lappen is wel duidelijk. Ik heb op het internet een apparaat besteld dat ze moet verjagen, maar toen ik daarna—inderdaad: daarná—de online recensies las begreep ik dat ik er niets van hoefde te verwachten. ‘Uw bestelling is onderweg!’ las het onderwerp van een mailtje zojuist. Het ding kostte negenenvijftig euro en negenennegentig cent.

Met thuisonderwijs begonnen we eerst om negen uur, toen om half tien en nu om tien uur. Met z’n drieën zitten we hier aan tafel te werken. Ik probeer te schrijven, maar ben meer bezig met breuken, die ik overigens zelf, zo blijkt, ook hartstikke moeilijk vind. Ondanks de afleidingen ben ik met Ernest Hemingway is gecanceld al over de dertigduizend woorden. Toegegeven: ik werk er voornamelijk aan als mijn jongens bij hun moeder zijn.

Gisteren kreeg ik de zomerbrochure van Nijgh & Van Ditmar thuisgestuurd. Mijn thrillernovelle Kwaad bloed staat nog steeds, ondanks de coronacrisis, gepland voor mei/ juni. Ik zag dat hij elf euro en vijftig cent gaat kosten. Daarvan krijg ik tien procent, dus dat is één euro en vijftien cent. Dat betekent dat ik—naar beneden afgerond—tweeënvijftig exemplaren moet verkopen om het apparaat tegen duiven terug te verdienen. Een apparaat dat ik na ontvangst meteen weg kan gooien.

In de Groene Amsterdammer van deze week staat mijn essay over het boek Fluwelen woede van Alan Downs. Het was een confronterend boek voor me, ook al behoor ik niet tot de doelgroep: homoseksuele mannen. Maar mijn punt is juist dat het boek voor een veel breder publiek interessant en nuttig kan zijn. In het nummer van de Groene staan veel meer interessante verhalen, dus pik er vooral eentje op. Je hebt verder toch niks te doen. 

Wat trouwens ondertussen ook aan de hand is, en niet stopt, is de puberteit van mijn oudste zoon. Als er ooit een tijd was waarin ik hem níét in quarantaine had gewild… Mijn god; hij kan geen bak cornflakes eten zonder op mijn zenuwen te werken (er al onderweg van de keuken lopend van eten, knoeien, slurpen, vreten als een varken…). 

Enfin. Straks maar weer naar het bos. Lekker naar bejaarden hoesten.

 


Abonneer je HIER op deze stukjes.