bloemen in de ruimte

Vanochtend heb ik een heel jaar gewandeld. Ik begon in de zomer, zonnig en blauw, en toen werd het herfst, donker en nat, en vervolgens werd het winter, met sneeuw, waarna de zon weer doorbrak en opnieuw de lente zich aankondigde. O, de dingen die ik heb gezien! Heb meegemaakt! De lange baard die ik nu heb!

Ondertussen luisterde ik een podcast. Joe Rogan in gesprek met Brian Greene, een wetenschapper in de natuurkunde. Van zulk soort gesprekken kan ik geen genoeg krijgen, met zo’n briljante geest die zijn best doet om het allemaal zo begrijpelijk mogelijk uit te leggen: kwantummechanica, zwarte gaten, tijdskromming, electronen, fotonen, parallelle universums en werkelijkheden. Een wetenschapper die zich aan de feiten houdt, maar die ook zijn verbeelding durft aan te wenden.

Terwijl de seizoenen aan me voorbij trokken, en ik over de aarde wandelde, zag ik mezelf plots op een soort kosmische bloemenknop lopen. Het universum is ermee bezaaid: alle ontelbare planeten in het oneindige heelal zijn bloemknoppen. Zie: daar wordt er eentje groen en blauw, dat is de bloei, dat is het leven op die planeet en in die fase gebeurt álles, van liefde tot oorlog en auto’s en apen in een boom en evolutie en de rij voor de kassa van de supermarkt en het strikken van je veters op een maandagochtend. En dan, net als bij een bloem, treedt bederf in. De planeet kleurt weer grijs en is nu slechts nog steen. Maar ergens anders schiet er weer eentje in bloei. En zo gebeurt dat aldoor, op verschillen plekken in de kosmos. Als je het geheel kon overzien, kon aanschouwen, dan zag je overal grijze bolletje groen en blauw worden, en dan weer uitdoven en terugkeren tot grijs.

Als je weet dat je leeft op een bloem in bloei, dan is de gedachte aan een stervende planeet niet langer verkeerd. Een roos die bruin en rot wordt is ook niet verkeerd. Nu kun je zeggen: ja maar de mens maakt de aarde kapot, en dat is onnatuurlijk en wél verkeerd. Maar dan zie je de mens als iets wat buiten de natuur staat, buiten het universum bestaat. Dat lijkt me nonsens. Als er te veel kroos op het wateroppervlak van een vijver groeit dan stikt de vijver en sterven de dieren die erin leven; waarom zou de mens iets anders zijn dan kroos? Een arrogante opvatting, vind ik.

Nou ja, dat zag ik ineens voor me, het universum met al die grijze koude bolletjes waarvan er soms plots eentje kleur krijgt. Ik weet eigenlijk niet eens of ik het nou een troostrijk beeld vond of niet. Mooi vond ik het in ieder geval wél.   

 


Je kunt je gratis op deze stukjes abonneren en DAT DOE JE HIER.

keukentafel

Ik zat met de twee bouwvakkers aan mijn nieuwe keukentafel in mijn nieuwe keuken. Het meeste van hun werk was al gedaan; ze waren buiten nog iets met tegels aan het doen. De nieuwe, enorme pui stond open; warm zonlicht viel binnen. Ze aten een boterham, de ene van middelbare leeftijd en de andere nog jong. (De bouwvakkers, niet hun boterhammen.) (En nee, het waren niet Ronnie en Bas uit Hemingway is gecanceld.) Een koolmees landde in de tuin. Ik dronk koffie. We praatten wat.

Dat tegenwoordig ouders ervan uitgaan dat hun kinderen het slechter zullen hebben dan zij, daar spraken we over. Dit in tegenstelling tot vroeger, toen men ervan uitging dat de nieuwe generatie het juist beter zou hebben. Ik wilde het tegenspreken, zeker met dat hoopvolle lentezonnetje en die koolmees die af- en aanvloog, maar ik moest het beamen: ik vrees vaak het ergste voor mijn zoons. Ik vreesde ook altijd het ergste voor mezélf, zo zonder diploma’s of doorzettingsvermogen of commercieel instinct. Nog steeds vind ik het een kwestie van mazzel dat ik bleek te kunnen schrijven en mezelf daarmee kon redden.

Dat vertelde ik aan die bouwvakkers, over die mazzel, maar zodra ik het had uitgesproken had ik spijt. Of beter gezegd: ik voelde de moed in mijn schoenen zakken. Een dag eerder had een belangrijke opdrachtgever de samenwerking met me opgezegd. Daar dacht ik nu weer aan. Veronica Magazine, waar ik het afgelopen jaar wekelijks een tv-recensie voor mocht schrijven. Ze hadden een nieuwe eigenaar en alles ging op de schop. Het was een klus die even makkelijk als lucratief was en waarvan ik mezelf, naïef genoeg, afhankelijk had laten geworden. Dat is misschien het nadeel van geloven in mazzel, dat je daarmee ook de mogelijkheid van pech in het leven roept. Dat mijn laatste roman het doel niet raakte, moest ik dat ook aan pech toeschrijven? Nu vervloekte ik het schrijverschap, en niet voor het eerst. Ik maakte dit al vaker mee. Altijd die vrees, die onzekerheid, wedden op een mooi maar mank paard. De beklemmende onzekerheid van het ZZP’er-schap.

Volgende week heb ik, voor het eerst sinds een jaar of vijftien, een echt sollicitatiegesprek. Dus daar dacht ik nu ook aan. Aan wat me te wachten stond. Dingen als vakantiegeld, pensioen en de welbekende vrijmibo. En collega’s!

De jonge bouwvakker wilde absoluut geen kinderen, beweerde hij. Waarom hen dat aandoen? Hij was er heel stellig over. Er mochten van hem ook een heleboel mensen sterven aan een virus, want we waren met veel te veel. De oudere bouwvakker, een vader, hoorde het aan en at z’n boterham. De koolmees ritselde tussen de dode, verdorde, bij elkaar geharkte takken van mijn vermoorde blauweregen, en vloog weg.

 


Je kunt je op deze stukjes heel makkelijk abonneren. Maar hóé dan?! Dat is wat je nu natuurlijk wilt weten. Nou, klik HIER. Dan wijst het zich vanzelf. 

fundament

Ik luisterde een podcast over een Amerikaanse moordzaak in de jaren tachtig. Een paar kinderen vonden in het bos een metalen vat met daarin twee lijken. De verteller van de podcast associeerde het met typische avonturenfilms uit die tijd, films met kinderen in de hoofdrol. Die films zouden ook zo beginnen. Denk aan Stand By Me en The Goonies. Er klonk weemoed door in zijn verhaal, of op z’n minst nostalgie.

Het werkte aanstekelijk. Zelf dacht ik terug ook aan de jaren tachtig. Aan die twee films ook. En aan het soort avonturen dat ik met vriendjes beleefde. Een aansteker kopen bij de snackbar, zonder precies te weten wat we ermee gingen doen; je kon ze keihard op straat gooien, dan ontploften ze, of we hielden de vlam onder een speelgoedautootje, of we verzamelden zwerfplastic en zetten dat in de fik, onze t-shirts over onze monden tegen de giftige, groene rook. Met een stok prikten in een dode vogel. In een steegje vonden we seksblaadjes. Met een blaaspijp schoten we witte besjes op rijdende auto’s, en dan renden we voor ons leven als een chauffeur de achtervolging inzette.

Geen mobieltje. Geen internet.

Mijn oudste zoon is bijna veertien. Op zolder bij mijn ex heeft hij zijn eigen kamer. Hij wilde een pull-up bar hebben, zodat hij zichzelf kon optrekken. De vriend van m’n ex monteerde er eentje aan de muur, maar de muur was te zwak en dus begon het ding langzaam los te komen. M’n zoon kan hem al een tijdje niet meer gebruiken. Er hangt nu was aan te drogen. Ik liep er laatst voorbij en besefte dat hij zich dit later zou herinneren, het beeld van zo’n stang aan de muur met kleren die eroverheen hangen, precies zoals ik me de zwarte schroeiplek op de gaskachel herinner in de woonkamer van ons huis, vroeger, waar één van m’n broers een trui op te drogen had gelegd die vervolgens in de fik vloog. Die plek zat er jarenlang; er werd niets aan gedaan. Het zijn zulke beelden die het totaalbeeld van je jeugd vormen, bijna als een soort fundering waar het dagelijks leven op leunt.

In de podcast ging het erover hoe moeilijk het was om die moord op te lossen. Met DNA werkten ze toen nog niet. Er hingen nog niet overal camera’s. Ook dit maakte nostalgisch. Avontuur is makkelijker zonder camera’s. Avontuur is ook makkelijker zonder Instagram, Twitter en Facebook, en zonder telefoon waarop je altijd bereikbaar bent. ‘Zet je telefoon aan,’ zeg ik desondanks tegen m’n zoon als hij naar buiten gaat. ‘Zodat ik je kan bereiken.’

Momenteel ben ik aan het verbouwen. Straks is alles nieuw. Al het oude verdwenen. De oude houten vloer met gaten erin waar soms naaktslakken doorheen kwamen; als we ’s ochtends beneden kwamen zagen we de slijmsporen. Dat is ook weer zo’n beeld. Die hele vloer is nu weg. Er ligt een laag beton. Dat kan dus gewoon. Alles wat je kent kan veranderen. Je denkt dat het je fundament is, en dat het leven zelf zal instorten als je die dingen weghaalt, maar zie: je bent er nog. In feite leun je helemaal nergens op. Er is niks om op te leunen. Je hangt maar wat, in de lucht gehouden door iets wat je niet kunt zien of begrijpen. Of zoals de inheemse bewoners van Noord-Amerika zeiden: a great spirit carries you across the sky.

 


Je zou je op deze stukjes kunnen abonneren. Ik zou dat vooral doen. Het kan HIER.

bankje

Gisteren en eergisteren waren de eerste lentedagen. Februari, winter, maar toch lente. Ik liep in het bos en rook het, voelde het. Je weet hoe dat kan zijn. Het is waanzinnig wat dat kan losmaken aan gevoelens, associaties, verwarring, verlangen. De warmte trekt de aroma’s uit de bomen, uit het mos, uit de aarde. Elixers.

Toch merk ik dat ik, naarmate ik ouder word, tot mijn spijt steeds vaker het gevoel heb dat zo’n ervaring, dus op het moment zelf, het nooit haalt bij de associaties die de ervaring óproept.

Gisteren, toen ik het bos zo rook, de atmosfeer zo voelde, werd ik bevangen door het verlangen naar méér van die ervaring. Nee, door het verlangen naar de wáre ervaring. Ik stelde me daar een mooier bos bij voor, misschien met een riviertje, misschien met een hengel, misschien met mijn broers erbij, of mijn zoons, en dat er dan ook een barbecue was en ik op de oever een grote libelle zag landen. De beleefde ervaring was dus eigenlijk helemaal geen echte ervaring; hij wéés slechts naar een echte ervaring.

Wat een armoe. Zeker als je beseft dat die echte ervaring, de ervaring waarnaar het verlangen is ontstaan, óók de echte niet is. Dat die niet bestaat, in feite. Of niet meer bestaat. Dat een ervaring, hoe ouder je wordt, steeds vaker slechts een pijl is die wijst naar het echte dan wel ingebeelde (of op z’n minst geromantiseerde) verleden. En dat als je daar daadwerkelijk staat, in dat riviertje, met je hengel (ik hou niet eens van vissen), op die perfecte zomeravond, dat het dan nog stééds niet helemaal zal zijn wat je hoopte dat het zou zijn. Dat er ook dan weer een verlangen wordt opgewekt, of melancholie, of nostalgie. (Melancholie en nostalgie zijn vormen van verlangen, denk ik.)    

Met andere woorden: je komt steeds meer in een wereld van fletse kopieën te leven.

Ik ging zitten op het bankje op de heide waar ik ooit met een ex-vriendin zat. We hadden LSD genomen. Het was zomer. Ik huilde daar, op dat bankje. De liefde in mijn hart scheen door alles heen. Mijn bewustzijn werd het bewustzijn van de aarde zelf. Liefde is dan het enige wat ertoe doet, maar een mens komt altijd weer terug in het eigen lijf, neemt altijd weer de eigen vorm aan. We wisten het toen nog niet, maar onze relatie had z’n beste tijd al gehad. Dat was gek, want zo lang hadden we nog geen verkering; toch waren er in die korte tijd al dusdanig veel spanningen en onbegrip ontstaan dat het voelde als een scheefgegroeid huwelijk van twintig jaar.

Ik zat nu weer op dat bankje en dacht eraan terug. Aan de fles port die we hadden meegenomen. Het plekje onder de boom waar we ook hadden gelegen. Hoe ik huilde, hoe zij er ineens niet meer was en ergens anders stond, haar gezicht de andere kant op, turend naar iets wat daar was, aan de horizon.

Dus ik zat hier nu wel, maar ik zat er niet. Niet echt.

 


Een sympathieke persoon abonneert zich op deze stukjes. Het is gratis en kan HIER.

uitgezaaid

Na mijn tweede bezoek verliet ik het appartement voor ’t laatst, wetende dat ik die man niet nog eens zou zien. Hij is ziek. Kanker. Ooit begon het in zijn milt, maar inmiddels is het uitgezaaid. Wie deze man is kan ik nu niet vertellen en doet er ook niet toe, althans niet binnen de context van dit stukje. Vijfenzeventig, nog bij de pinken, ondernemer en vrijwilliger en hobbyist en wilskracht voor tien. Hooguit nog een paar maanden te leven. Ik interviewde hem. Na de eerste keer had ik nog niet genoeg materiaal, besloot ik, en dus ging ik nog eens. ‘Wel thuis, maestro,’ zei hij, eerder vandaag, toen ik vertrok. Zo noemde hij me ook de eerste keer al, meteen al toen ik binnenkwam. Gek hoe snel je aan een koosnaam kunt wennen, en hoe goed dat kan voelen, mits hij door de juiste persoon aan je gegeven wordt. Ik voel me geen maestro, op geen enkel gebied, maar toen hij het zei was ik geneigd om hem te geloven, en voelde ik iets wat leek op trots.

Wat ook gek is: als hij niet ziek was geweest had ik hem hierna waarschijnlijk óók nooit meer gezien. In die zin is er geen verschil: wel ziek of niet ziek. Toch voelt het alsof ik hem nooit meer zal zien omdát hij binnenkort doodgaat. Het is puur de wetenschap, dat hij nog maar heel even te leven heeft, die het afscheid een andere lading geeft. Ik weet niet of dat melodrama is, en dus een soort poëtische sentimentaliteit, of juist een helder besef van iets waar we normaal niet aan denken: de sterfelijkheid. Als iemand weet dat hij stervende is, en dat tegen je zegt, dan weet je zelf ineens ook dat je stervende bent, dat er eigenlijk geen verschil is tussen jullie twee. Er is dan ineens geen ontkomen meer aan. Het is alsof iemand de steen optilt waaronder je verscholen zat. Het licht doet pijn aan je ogen, als een pissebed ren je naar een nieuwe steen.

Godver, gaat ook dít stukje weer over de dood? Het is niet mijn bedoeling. Geloof ik.

Maar wat het óók doet, zo’n ontmoeting of confrontatie, is het léven benadrukken. Dat je er iets van moet maken, dat het niet niets is, dat er te weinig tijd is voor angst en schuilen onder stenen. Iedere keer als we iets niet aangaan leggen we er nog een steen bovenop. Want het felle licht is altijd eng, of het nu onze sterfelijkheid betreft, of de liefde, of kwetsbaarheid, of intimiteit, of ambities. Ik ken, geloof ik, niemand die in het volle licht leeft. Waarschijnlijk is dat simpelweg onmogelijk. Ik denk dat verduistering zoeken—in meer of in mindere mate—inherent is aan mens zijn. Het wezen dat in het volle licht leeft heeft geen schaduw meer, die zie je niet, is al ergens anders.

Men are not free when they are doing just what they like,’ schreef D.H. Lawrence. ‘Men are only free when they are doing what the deepest self likes. It takes some diving.

Dat heb ik moeten leren. Lang dacht ik dat vrijheid was dat je kon doen wat je wilde. Dus dat deed ik. Maar het bleek helemaal niet te zijn wat ik wilde, althans niet wat die ‘diepere zelf’ wilde. Daar kom je ook niet zomaar achter. In ieder geval ik niet. Vandaar dat laatste zinnetje: It takes some diving. Afdalen in je onderbewuste, net zo diep tot je je hart hebt gevonden.

Na mijn bezoek aan de man met kanker reed ik naar huis en deed ik boodschappen. Vervolgens deed ik wat ik altijd al heb willen doen. Tijdens mijn leven ging het al tientallen keren door me heen, maar nooit deed ik het. Nu wel. Ik kocht een verpakking met flesjes Yakult. Van die kleine flesjes met één slok erin. Ze zijn duur, het is de bedoeling dat je er eentje per keer drinkt. Ik heb er wel eens twee gedronken, of zelfs drie, maar dat kwam nog niet in de búúrt van mijn diepste verlangen. Nu was het moment dan eindelijk gekomen. Thuis schonk ik alle flesjes leeg in een groot glas. Dat glas dronk ik leeg. Het was precies zo lekker als ik had verwacht.

 


Het leven is kort, gun jezelf geluk en abonneer je gratis op mijn stukjes. Dat kan HIER.