regenjas

Toen ik gisteren in de stortregen naar school liep, en daar op het plein stond te schuilen onder een boom die allang was verzadigd en dus geen water meer tegenhield, verwonderde ik me weer eens over het feit dat ik nimmer in mijn leven een regenjas heb bezeten, laat staan dat ik er ooit een heb gekocht.

Ik woon in Nederland. Dit is een regenland. Ik ben een Nederlander. Het regent bovendien steeds vaker, zo lijkt het, althans in de herfst en winter. En toch heb ik geen regenjas. Nooit gehad ook, maar dat zei ik al.

Ook heb ik nooit een paraplu gekocht. Dat ik er nooit een heb bezeten, dat zal ik niet beweren, maar het waren altijd van die kleintjes die je moet uitschuiven, en ik wist nooit hoe ik eraan was gekomen, ze lagen gewoon ineens ergens tussen de schoenen of in de kofferbak van de auto, en altijd waren er een paar van die metalen spaken kapot. Laatst nog met de hond liep ik met zo’n gaar klein ding dat ik halverwege de wandeling in een vuilnisbak propte. 

Ik kan me simpelweg niet voorstellen dat ik op een middag besluit om een regenjas te gaan kopen. Dat ik een winkel binnenstap en vraag naar de regenjassen. Ik zou natuurlijk online kunnen bestellen, maar zelfs dat zie ik niet voor me. Dat ik die moeite neem, dat ik er tijd aan spendeer, dat ik denk: Zo, en nu ga ik eens een regenjas bestellen. Daar komt bij: eenmaal binnenshuis is het probleem verdwenen; ik heb betere dingen te doen.

Op het schoolplein zag ik tientallen mensen met een paraplu. Ik zag van die kleintjes, maar ook veel grote. Degelijke, sterke paraplus. Sommige hadden zelfs twee lagen, met een soort dakje erop. Paraplus waar je zuinig op bent. Die mensen hebben ooit de tijd genomen, en de moeite, om een dure, goede paraplu te kopen. Hoe ik ook mijn best doe, ik kan me niet in hen verplaatsen. Voor mij zijn zij buitenaardse wezens. De overige aspecten van hun levens zullen ook wezenlijk verschillen van die van mij. Zo zou het mij niet verbazen als zij regelmatig hun auto stofzuigen, of de buitenkant van hun voordeur poetsen. Wie zijn deze mensen? Wat beweegt hen?

Op het schoolplein ging het steeds harder regenen. Nu – ja nú – wilde ik wel een regenjas kopen. Maar hier was geen winkel. Online bestellen was kansloos; de jas zou er pas morgen zijn en daarbij kon ik in deze nattigheid mijn mobieltje niet tevoorschijn halen. Zie je wel? Een regenjas, een paraplu; voor mij is het allemaal gans onmogelijk.

Toen mijn zoontje en ik naar huis liepen weerde ik de regen op de enige manier die ik ken. Het is een geheim trucje: 1) Ik trek zo hoog mogelijk mijn schouders op. 2) Ik knijp mijn ogen tot spleetjes. 3) Ik buig mijn hoofd naar voren. 4) Ik kijk zo lelijk als ik kan. Het vergt de nodige oefening, maar je creëert er een magisch krachtveld mee waar geen druppel doorheen komt.


Door HIER te klikken abonneer je je gratis op deze stukjes.

manmanman

De rit naar het huis waar mijn jongste zoon bij een vriendje speelde duurde langer dan gepland. Ik reed in de spits. Vanuit daar moest ik hem en dat vriendje naar jiujitsu training brengen, in Waalre, wat weer compleet ergens anders is. Google Maps stelde voor om de files te vermijden en landelijke buitenweggetjes te nemen, dus dat deed ik, met haast, ongeduldig, geïrriteerd, waardoor ik plots voor een auto van rechts moest remmen en op het natte wegdek slippend tot stilstand kwam. Ik dacht dat ik op een voorrangsweg reed.

De auto, een moderne middenklasser, bleef toeterend stilstaan. Achter het stuur zat een jonge kerel in een overhemd opgefokt te gebaren, naar mij en naar het bord waarop stond dat ik geen voorrang had. Of ik gek was, of ik compleet debiel was; dat was een beetje het sentiment.

Ik articuleerde zo duidelijk als ik kon: ‘SORRY.’ Ook hief ik mijn handen op, zo van: ‘Oeps, ik heb me vergist.’ Maar het was voor hem niet genoeg, zo bleek, want hij bleef foeteren. Zijn auto blokkeerde de mijne.

‘SORRY,’ beeldden mijn lippen nog eens uit. Maar nu begon ik zelf ook irritatie te voelen. Want wat wilde hij nou, dat ik hem een bos bloemen kwam brengen? Rij nou maar door, mongool. Dus dat gebaarde ik met een wapperend handje: dat hij nu zo onderhand wel weer mocht doorrijden. Dat maakte hem ziedend; dat recht had ik blijkbaar niet; ik was hier de mongool. Ik zag de agressie in zijn ogen. Hij opende zijn deur al. En wat deed ik? Ik zei het nog eens: ‘SORRY.’ Hij sloot de deur weer. Nog scheldend reed hij eindelijk weg.

Meteen had ik spijt. Die laatste keer sorry was een zwaktebod geweest. Want toen hij zijn deur opende, daarmee was hij te ver gegaan. Het was een dreigement geweest. Volgens het Handboek der echte mannen had ik direct ook mijn deur moeten openen. En ik wist al wat ik gedaan zou hebben: met m’n handen opgeheven naar hem toelopen, alsof ik in vrede kwam, en hem dan met een kleine, scherpe, verticale elleboog bovenop z’n neus raken. Maar dat had ik dus niet gedaan. De vernedering gonsde in mijn oren.

Even later was er zo’n wegversmalling waar maar één auto doorheen kan. De auto’s van mijn kant hadden voorrang. Zo’n blauw bord stond er. Een auto reed me tegemoet, met daarachter nog twee auto’s. De eerste auto leek er net iets eerder dan ik te zijn, waarop ik woedend gas bij gaf, en zo kwamen we neus tegen neus op die versmalling te staan. Verongelijktheid stond in de ogen van de bestuurder, maar mijn gezichtsuitdrukking deed hem tot inkeer komen, mijn hand lag al op de deurklink. Nu was híj verdomme de mongool. Hij zette de auto in z’n achteruit, waardoor ook de twee auto’s achter hem achteruit moesten. Braaf lieten ze me erdoor.

‘Dat was best dramatisch,’ zei mijn jongste zoon op de achterbank.

Mannelijkheid: het voelt zo echt soms.


Door een eenvoudigweg hier te klikken abonneer je je gratis op deze stukjes. Ook ligt er nu een boek met gebundelde stukjes in de winkel: Niets zal ons redden maar een beetje liefde is oké.

lego

Mijn jongste ging naar een kinderfeestje dus moesten we snel nog even een cadeautje kopen. Hier vlakbij is een Intertoys, één van de weinige filialen die het faillissement en de overname hebben overleefd. ‘Wij gaan door!’ staat er op de buitengevel, met een robot erbij die zegt: ‘Vet!’

Het jarige vriendje wilde Lego, het liefst van Star Wars, dus daar kwamen we voor. Maar de wand met Lego was grotendeels verdwenen. Er was een lege ruimte zonder schappen. De Lego die ze nog hadden was slechts een restant. Van Lego Star Wars hadden ze alleen nog grote, dure dozen. 

‘Waar is al jullie Lego?’ wilde ik weten. Een jonge vrouw legde uit dat ze binnenkort nieuwe zouden bestellen, maar nu ging dat even niet. Had allemaal met die overname te maken. Budgetten en zo. Ze was knap, die vrouw. Of eigenlijk voelde ik me fysiek tot haar aangetrokken. Nou ja, eigenlijk vond ik haar gewoon lekker. Het verraste me, deze emotie, tot ik me realiseerde dat ik sinds een week nog maar de halve dosering antidepressiva neem. Het leek erop dat mijn libido op de deur klopte.

‘Maar Lego is toch het fundament van een speelgoedwinkel?’ zei ik. ‘Het voelt alsof ik in een tombe sta. Ik ben een archeoloog hier.’ Met een statige stem: ‘Aha, dus hier kochten de mensen vroeger hun speelgoed.’

De vrouw schaamde zich, wat niet mijn bedoeling was, want dit kon je geen flirten noemen. Maar antidepressiva of geen antidepressiva, hele dosering of halve dosering, tegen dit soort schrijnendheid is toch niets opgewassen? Een speelgoedwinkel zonder Lego! 

Met z’n drieën keken we naar de wand waar niets meer stond. Ik voelde me zoals ik me steeds vaker voel. De wereld is een Intertoys die doorgaat. (Wij gaan door!) Je komt binnen en zoekt naar het Great Barrier Reef, naar ijs op de polen, naar het Amazonewoud, naar gorilla’s. Of op kleinere schaal: een videotheek, een bibliotheek, een treinreiziger zonder telefoon met een boek.

Misschien was het dáárom, en dus niet door het afbouwen van mijn medicatie, dat mijn libido opspeelde. Als de wereld op het punt staat te vergaan schijn je te willen neuken. Het is binnen handbereik, het is lekker en je viert er het leven mee. Niets heeft nog gevolgen; alles is toch verloren. Bovendien is er nog een kleine kans op nageslacht: de erfgenamen van de dystopie.

Ik zocht naar hetzelfde verlangen in de ogen van de vrouw van de Intertoys, maar zij leek voor zichzelf nog wél een toekomst te zien, zo dacht ik uit haar aanhoudende professionaliteit te kunnen opmaken.

Mijn zoontje en ik liepen naar buiten met een soort scheikunde-set waarmee je kleine explosies kon opwekken. Op de doos waren dat heel grote explosies, maar in de praktijk zou dat natuurlijk enorm tegenvallen. Dat is wat we dat jongetje cadeau deden: een teleurstelling.


Door hier te klikken kun je je gratis op deze stukjes abonneren.

bij nader inzien

Bij nader inzien ga ik toch weer af en toe een stukje schrijven. Ik was ermee gestopt. Omdat al mijn inspiratie in een nieuwe roman ging zitten, dacht ik. Dat wás ook zo. Ik schreef dertigduizend woorden. Die heb ik weggegooid. Ik zie ervan af. Mijn vriend Rutger Lemm zei dat ik het boek nu in de koelkast heb gelegd, en dat er een schrijver bestaat, of bestond, die daadwerkelijk sommige manuscripten in de vriezer legt, of legde. Beetje dramatisch wel.

Dat heb ik niet gedaan, ook niet bij wijze van spreken. Ik zal er niet later nog mee doorgaan. Het was te donker, het trok me te zeer naar beneden. Depressie en dood. Bovendien had ik een grote rol weggelegd voor een oude vriend die zelfmoord pleegde, waar zijn zus en andere naasten uiteindelijk toch enige moeite mee bleken te hebben, merkte ik. Een schrijver moet rücksichtslos durven zijn, dat zal best, maar ik heb er geen zin in. 

Voor het eerst in mijn schrijversbestaan heb ik nu geen boek om aan te werken. Misschien is dat wel goed. Laat de trein maar even tot stilstand komen; hij was aan het vonken en piepen en op de gehavende bankjes kon je al tijden niet meer lekker zitten. (De kunst van de wringende metafoor ben ik echter nog niet verleerd.)

Op de PR-afdeling van mijn uitgeverij grepen ze mijn stukjesstop aan om de nieuwe bundel Niets zal ons redden maar een beetje liefde is oké onder de aandacht van de pers te brengen. Zo van: deze bundel betekent het einde van mijn stukjes en het einde van mijn autobiografische periode, nu is het weer tijd voor fictie. (De kop van het grote interview: ‘Ik ben mezelf spuugzat’.) Maar goed, die benaderde journalisten en recensenten zouden zich zo onderhand dan toch wel gemeld moeten hebben, lijkt me. Ik bega hiermee vast geen publiciteitsflater; de gevolgen van dit nieuwe stukje zullen niet héél ernstig zijn. (Een vreemde man die op straat naar me roept: ‘Hé klootzak! Jij zou geen stukjes meer schrijven!’ Dan een vuistgevecht.)

Hiermee wil ik overigens niet zeggen dat ik de stukjes met dezelfde frequentie van voorheen zal schrijven. En ook start ik dat betaalde abonnement niet opnieuw op. Uiteraard kun je je wel nog gewoon inschrijven via de link hieronder; dan krijg je ieder stukje gratis in je mailbox.

Nu ga ik de slingers opruimen die nog steeds in de huiskamer hangen; mijn jongste zoon was jarig in augustus. Daarna ga ik mijn twee wietplanten rechtop zetten, want die zijn vannacht omgewaaid. Afwassen, stofzuigen. Niet aan mijn boek werken.


Deze stukjes krijg je automatisch per mail als je je HIER inschrijft. 

aquatasia

Om dit laatste vakantiestukje te kunnen schrijven ben ik al drie keer ergens anders gaan zitten. Op de eerste plek was het te heet, op de tweede plek hoorde ik de muziek van het zwembad te goed, en nu zit ik vakbij twee jongetjes die de bottle flip doen. Dit hotel is een mooie metafoor voor het leven: er bestaat geen plek waar het beter is.

Wel een plek waar het érger is. Gisteren was onze laatste hele dag, dus nam ik de jongens mee naar Aquatasia, een glijbaanparadijs waar bij binnenkomst onze tas werd gecontroleerd op eigen eten of drinken. En natuurlijk was er luide muziek. De Turken zijn ervan overtuigd dat toeristen dat willen, overal luide muziek, het liefst van Drake. Misschien is dat ook zo.

Ik had beloofd om van vijf glijbanen af te gaan. De rest van de tijd lag ik met Portnoy’s Complaint op een bedje in de schaduw, zo ver mogelijk bij Drake vandaan. Halverwege een monsterlijke rij voor de langste en snelste glijbaan zag ik iemand voordringen. Een Turkse Duitser, zoals bijna alle mannen hier. Ik stuurde hem terug naar het einde van de rij, waarop hij begon te protesteren. Ik versta je niet, gebaarde ik steeds. ‘Speak English,’ zei ik herhaaldelijk. ‘Du verstehst mich,’ antwoordde hij. Mijn cortisolniveau was al hoog (want drukte, want Drake), en wellicht dat van hem ook. We staarden elkaar aan, mijn lichaam bereidde zich voor op een fysiek conflict, een paar tellen waarin het had kunnen escaleren, twee bokken op het moment vlak voor de geweien elkaar raken, tussen de kinderen, halverwege de trap naar een glijbaan. ‘Wat is er, papa?’ vroeg m’n oudste steeds, een beetje in paniek. De man en ik lieten elkaars blik los. Niemand verloren, niemands eer geschaad.

Gewaarwording: ik ben officieel te oud geworden voor de echt snelle glijbanen. Mijn rationele brein loopt hopeloos achter op het instinctieve systeem. Het is niet eens angst, het is pure chaos. En dan die plotse, ruwe onderdompeling als de buis me uitbraakt; geen idee welke kant ik op moet zwemmen, geen idee of mijn leven, daarboven, wel echt is, en of ikzelf wel echt ben. Dan proestend bovenkomen, herboren, opnieuw het lijden en het liefhebben in.

Vanaf mijn bedje zag ik twee jongens van het personeel met een grote, gekortwiekte papegaai rondlopen. De ene jongen plaatste het dier op de arm van een kind, de andere maakte een foto, te koop voor tien euro bij de uitgang.

’s Avonds aten we vis aan zee. Mijn zeebaars was niet gekortwiekt, maar gewoon gevangen, doodgemaakt en gebakken. De vraag is niet óf je wordt vernederd, de vraag is in welke mate. Dat ik halverwege de maaltijd moest stoppen met eten omdat er tien à twaalf hysterische wespen op mijn bord zaten, dat accepteerde ik dan ook zonder morren.


Je gratis abonneren op deze stukjes kan hierrrrrrr.