steppewolf

Onder het woordje steppewolf komt een rode kringelstreep te staan (en ook onder het woordje kringelstreep), wat gek is, want de steppewolf is een bestaand dier en steppewolf is de officiële naam, althans de Nederlandse, niet de Latijnse, want dat is canis lupus pallipes, maar dat terzijde, want ik wil alleen maar zeggen dat er geen rood kringelstreepje zou moeten verschijnen onder steppewolf, de naam van het dier waarnaar Herman Hesse zijn roman De steppewolf vernoemde, origineel getiteld Der steppenwolf, waarin Harry Haller zijn innerlijk conflict beschouwt als een gevecht tussen mens en steppewolf, in feite tussen mens en beest, een conflict dat hem drijft tot het overwegen van zelfmoord, de strijd tussen mens en wolf, de één reikend naar spirituele verlichting en wijsheid, de ander met vier poten in de aarde en gedreven door lust en honger; een tweedeling die te simpel is, schrijft Hesse, omdat de ziel een lappendeken is, omdat we niet slechts het één of het ander zijn, omdat we met die simpele tweedeling onszelf gevangen houden in een conflict dat geen conflict is, ook al voelt dat misschien wel zo, ook al drijft het ons tot waanzin, waardoor we niet meer kunnen zien dat ook dat onderscheid tussen beest en mens maar weer een idee is, een sentiment, een constatering die bij mij, nu ik halverwege dat boek ben, vooral het sentiment van een gemiste kans oproept, aangezien ik De steppewolf graag vóór het schrijven van Ernest Hemingway is gecanceld had gelezen, omdat het verhaal nieuw (of oud?) licht schijnt op de thematiek van mijn personage Semmie, die ook zo gevangen zit in een tweestrijd, evenals het naamloze hoofdpersonage zelf, een besef dat me doet denken aan Vrouwkje Tuinman—schrijver en dichter—die me in een reactie op mijn vorige stukje vertelde dat De steppewolf het lievelingsboek was van dichter F. Starik, van wie zij de weduwe is, en die ik een paar keer ontmoette, die ik altijd zo sympathiek vond, maar ook een beetje eng, want hij oogde streng en belezen en ik dacht altijd: hij zal mijn werk wel niks vinden, wat niet zo was, want in het jaar voor zijn dood, toen ik mijn stukjes nog op Facebook plaatste, zag ik onder bijna ieder stukje een like van hem verschijnen, wat me vulde met trots, en waardoor ik dacht: toch wel een goede vent, die F. Starik, want iemand die mijn werk liket vind ik al snel sympathiek, maar genoeg nu; het wordt tijd om aan deze zin een einde te breien.

Als je nu heel goed luistert kun je me diep horen inademen, snakkend naar zuurstof.

Zo’n heel lange zin schrijven, dat is natuurlijk ook gewoon stoerdoenerij. Je hebt romans die met zo’n zin beginnen. Zo van: kijk mij eens openen met een lange zin. Nou nou, poe poe. De openingszin van Hemingway is: ‘Toen Julio Iglesias en ik op mijn veertigste verjaardag onder een hoopvol en dus leugenachtig lentezonnetje van de apotheek naar huis liepen zag ik voor mijn deur de twee mannen staan die indirect verantwoordelijk zouden zijn voor mijn veroordeling tot twaalf jaar gevangenisstraf plus tbs.’

Nou nou, poe poe.

Indruk maken, het blijft toch belangrijk, wat ze je ook vertellen over vooral jezelf zijn. Gisteravond keek ik een aflevering van First Dates waarin een meisje al zodra haar date het restaurant binnenliep besloot dat hij haar niet beviel. Zo kan dat gaan, dat je het meteen ziet, dat je meteen weet: nee. Gedurende het diner deed hij zijn best om te tij te keren. Hip kapsel, hippe bril, maar het mocht allemaal niet baten. Ze vond hem een kluns, of een klungel, en dat vond ik eigenlijk ook wel. Hij verdiende zijn geld met het maken van video’s voor TikTok, een hysterisch videoplatform voor kinderen. Daar haalde het meisje haar getatoeëerde wenkbrauwen bij op. Voor die wenkbrauwen, met de make-up er permanent op aangebracht, schaamde ze zich overigens totaal niet. Ze vertelde erover zonder met haar ogen te knipperen. ‘Ik hoef er ’s ochtends niets meer aan te doen,’ zei ze star. Evenmin schaamde ze zich voor de andere ingrepen die ze had laten doen: een beetje botox hier, een beetje filler daar. Het maakte haar heel krachtig, die stelligheid en dat gebrek aan schaamte. En hoe sterker zij oogde, hoe klunziger (rood kringelstreepje) die jongen ertegen afstak. Het was nog net geen minachting, wat ik in haar ogen zag; ze keek naar hem als naar een knaagdier in een dierentuin, zo’n beest waaraan iedereen voorbijloopt. Toen het kistje met de rekening kwam—en dit is altijd een spannend moment in dit programma, want wordt er gesplit of betaalt heel klassiek de man?—trok zij dat direct naar zich toe. Zij betaalde, bepaalde ze. Hij wist zich geen houding te geven. Daarna, toen hun werd gevraagd of ze elkaar nog eens wilden zien, wees ze hem af. Prachtig: voor een man betalen en hem vervolgens afwijzen; ik zat nog net niet te applaudisseren. ‘Je hebt wel je best gedaan,’ gaf ze hem nog, voordat ze wegliep, hem daar achterlatend, als een kluns, als een klungel, een putz, een schmuck. (Als je me volgt op Instagram en je kijkt op m’n story, dan kun je drie korte fragmenten zien.)

Hoe kwam ik hier nou op? Weet ik al niet meer. O ja, ik had het over indruk maken. Dat je daar niet aan ontkomt. Zoiets. Maar wat heeft dat, als ik vragen mag, in godsnaam met De steppewolf of F. Starik te maken?

 


Doe jezelf een lol en abonneer je gratis op deze stukjes. Klik hier.

nieuw volk

Ik begin dit stukje enigszins aarzelend. Dat is omdat er hier veel nieuwe mensen zijn. Met ‘hier’ bedoel ik dit plekje, de ruimte die ik deel met jullie, de abonnees. Ik zie het soms als een klein theaterzaaltje. Jullie zitten in het publiek en ik sta op het podium; ja, sorry, zo is dat nu eenmaal verdeeld. Maar nu is het dus zo dat er hier stilletjes allemaal nieuwe mensen naar binnen zijn gekomen. Dat heeft vast te maken met de radio-, podcast- en kranteninterviews die ik deed. Vooral na het interview dat Erik Jan Harmens met me had—verschenen als podcast en geschreven stuk in Het Parool—zag ik ineens een flinke toename van het aantal abonnees. Inmiddels zitten jullie met z’n 1744’en in de zaal. De nieuwe abonnees stel ik me voor helemaal achteraan, achter de laatste rij met stoelen, staand, in de schaduw. Nu voelt alsof ik me voor hen opnieuw moet bewijzen. Ze staan vlakbij de ingang/uitgang en kunnen dus makkelijk weer vertrekken.

Wees welkom, laat me dat in ieder geval even zeggen. En ook: van het concert des levens krijgt niemand een program.

Enfin. Goed. Soit. Ik moest maar eens aan dit stukje beginnen, maar dan echt. Ondanks die aarzeling dus. Aarzelend (alweer aarzelend) moet ik echter toegeven dat ik eigenlijk geen onderwerp heb. Het is meer dat ik me geroepen voelde om iets te schrijven, ook weer vanwege de nieuwe abonnees, die ik nu dus al meteen teleurstel. Hij heeft niet eens iets voorbereid. Ik hoor de zware deuren opengaan en dichtvallen; één iemand heeft de zaal al verlaten. Dit gaat de verkeerde kant op.  Ik moet iets doen, iets schrijven, iets zeggen.

Oké, nou ja, er stond dus een grote recensie in de/ het NRC. Geschreven door Thomas de Veen. Het was de eerste recensie waarbij ik het idee had dat de recensent echt de moeite had genomen om goed na te denken over wat hij wilde schrijven, wat hij ervan vond. Dat hij niet meer dan drie sterren wilde geven (maar vijf sterren voor Kwaad bloed!) vond ik niet eens erg. De recensenten van zowel Het Parool als Trouw leken zich met Hemingway namelijk überhaupt geen raad te weten. De analyses waren onzeker, reductionistisch en simpel. Dat hadden ze kunnen erkennen, hadden ze aan zichzelf en aan de redactie kunnen toegeven, om er vervolgens van af te zien. Maar een recensent krijgt voor zo’n stukje natuurlijk ook gewoon betaald, dus dan zullen ze het schrijven ook. Ik balanceer nu op het randje van zuurte, dat weet ik zelf ook wel. Ik hou erover op. Maar die NRC recensie, die was oké, dat is wat ik zeggen wilde.

De spanningen rondom het nieuwe boek nemen langzaam af. Ik weet dat er nog besprekingen komen in de Volkskrant, de Groene en Elsevier, en uiteraard zie ik daar tegenop. Een recensie is negatief tot het tegendeel bewezen is. Maar ook aan een tergend gebrek aan controle, zo blijkt, kun je wennen. Ik ken het natuurlijk van eerdere boeken. Vlak na publicatie kan ik amper ademen. Dan, na een tijdje, slaak ik een zucht en begin ik aan een nieuw boek. Het is wat het is. En de bestseller is het volgende boek, is altijd het volgende boek.

Aan dat gesprek met Erik Jan Harmens dacht ik trouwens gisteren nog terug. Ik maakte een lange autorit en luisterde naar het luisterboek van De steppewolf van Herman Hesse. Ik wilde Erik Jan eigenlijk meteen een berichtje sturen. Tijdens ons gesprek spraken we over de foltering van de doorlopend nuchtere geest, dat ik daar na een paar dagen genoeg van heb, van dat nuchtere brein van mij, van de onveranderlijke werkelijkheid die dat brein op de wereld projecteert, en de drang die me vervolgens overmeestert, de drang om die werkelijkheid te verwoesten, zodat ik de werkelijkheid daarna weer kan opbouwen, als een nieuwe wereld. Destructie en herrijzing, daarmee kan ik leven; het is het gebied ertussenin waarmee ik moeite heb, waarin ik slecht gedij. We hadden het over Shiva en Vishnu, over dergelijk archetypen die in ieder van ons verscholen zitten, zij het in sommigen meer dan in anderen. In De steppewolf beschrijft Hesse dat heel mooi. Zijn personage Harry Haller lijdt onder exact dezelfde tweestrijd. In zich heeft Haller zowel de wolf als de mens. De één bekritiseert de ander, walgt zelfs van hem. Maar ook dat is fictie, schrijft Hesse. Ook dat onderscheid tussen wolf en mens is niet echt, is ook maar weer iets om in te kunnen geloven, iets waarmee je jezelf vorm geeft en denkt te kunnen begrijpen. Goede citaten uit dat boek heb ik helaas niet paraat; dat is het nadeel van een luisterboek. Wel zocht ik net even snel op Google. Toen vond ik er alsnog eentje:

Alle goede humor begint met het niet meer serieus nemen van je eigen persoon.

En zo zijn we terug bij het begin van dit stukje. Aarzelen doe je alleen als je jezelf te serieus neemt.

 


Dat je je op deze stukjes gratis kunt abonneren is na het bovenstaande geen nieuws meer. Je doet dat HIER. De podcast met Erik Jan Harmens beluister je o.a. op Spotify. Het heet Onverdoofd en is makkelijk te vinden. Mijn nieuwe roman heet Ernest Hemingway is gecanceld.

taxi

Nerveus, was ik, voor het interview bij radioprogramma Nooit Meer Slapen. Dat komt door de aard van dit boek, Ernest Hemingway is gecanceld. Het is een boek geschreven als pleidooi voor verwarring en nuance, maar in een persoonlijk gesprek is er een ander mens bij, en dat mens kan vragen stellen die een mening uitlokken, of zelfs een sterke visie, een visie die ik ook wel héb, soms, ondanks of dankzij die verwarring, maar die ik vrees niet goed te kunnen verwoorden, met alle gevolgen van dien (aha, betrapt, zie je wel dat hij er zo eentje is!), waarna ik vooral spijt heb en met een knoop in mijn maag de taxi naar huis instap.

Ja, de VPRO regelt een taxi voor je. Voor mij althans. Misschien niet voor jou. Om tien over tien ’s avonds werd ik thuis opgehaald en rond drie uur ’s nachts was ik weer terug. Ik zat achterin. Tussen mij en de chauffeur zat een plastic scherm. Daar hou ik meestal wel van, van plastic schermen tussen mij en de medemens, en zo ook nu. Ik las een boek en een interview en klooide uiteraard wat met mijn stomme, domme telefoon. Op de terugweg had ik een fles rode wijn, wat een cadeau van de redactie was, en van de chauffeur mocht ik die in de auto lekker opdrinken, maar er zat een kurk in, wat impliceert dat het een goede wijn was, of in ieder geval niet héél slecht, maar hoe dan ook kreeg ik ’m niet open en zat ik daar dus met m’n dorst en m’n gehavende zenuwstelsel naar die heerlijke fles te turen.

Het interview ging wel oké, denk ik. Ik zal onder dit stukje een link plaatsen. In de studio hadden ze ook wijn, en die fles kon gelukkig wel open. Het gesprek was fijn. Met dit boek vrees ik bij ieder interview dat de eerste vraag een aanval zal zijn. (‘ZO, DUS DE WITTE MAN IS ZIELIG WANT HIJ MAG HELEMAAL NIETS MEER?’)

Over de taxi instappen met een knoop in mijn maag gesproken. Ik weet nog, na de publicatie van Berichten uit het tussenhuisje, toen ik te gast bij Pauw was geweest en ook zoiets meemaakte. Dat interview voelde verschrikkelijk; ik zat mezelf alleen maar te verdedigen, te proberen om mijn persoonlijke leven af te schermen van het boek, een boek dat over mijn persoonlijke leven ging. Defensief zat ik daar met mijn armen over elkaar. ‘Het is kunst,’ zei ik. ‘Het is kunst, geen dagboek.’ In die tijd had ik nog Twitter, wat niet bepaald hielp. Mensen daar vonden me hooghartig en pedant. Ik kreeg haast geen lucht. Daar stond toen ook een taxi klaar, naderhand, en ook toen was het al laat en zat ik onderweg uit het raam de donkere lucht te staren, naar de zwarte silhouetten van de bomen en palen en boerderijen en dorpjes en windmolens. Ik zag een wolf rennen, weet ik nog. Hij rende mee met de taxi, aan de overkant van een slootje, en hij hield ons bij, helemaal tot thuis, waar hij nog altijd rondsluipt.

Nou ja, goed, dat was nu dus gelukkig anders. Het was jammer dat ik die fles wijn niet kon openmaken, maar verder was het allemaal wel prima. De chauffeur was ook hartstikke aardig. Als dat plastic scherm niet tussen ons in had gezeten dan had ik misschien wel met hem gepraat. Maar je weet hoe ze zijn, taxichauffeurs. Althans schrijvers weten hoe taxichauffeurs zijn. Want als je als schrijver tegen een taxichauffeur zegt dat je een schrijver bent, dan hebben zij altijd meteen een verhaal dat móét worden opgeschreven, omdat het ongelofelijk is, omdat de chauffeur dingen heeft meegemaakt die ontzettend heftig zijn. En nooit, maar dan ook nooit, krijg je vervolgens een verhaal te horen waarvan je denkt: ja, dit is een boek dat ik ga schrijven.

Ik wil niet generaliseren hoor. Niet alles taxichauffeurs zijn zo. Ik denk niet dat deze zo was. Maar ja, die plastic wand. Niks aan te doen.

 


Als je de uitzending wilt luisteren kan dat HIER. Als je je gratis op deze stukjes wilt abonneren kan dat HIER.

rectificatie (zie stukje hieronder)

Ik werd er door meerdere lezers op gewezen. Theodor Holman heeft gewoon nog een dagelijkse column in Het Parool. Die krant hebben we hier niet, nergens buiten Amsterdam, dus ik had geen idee. Het stukje van gisteren komt hierdoor op losse schroeven te staan. Sterker nog: het hele stukje slaat eigenlijk nergens meer op. Het fundament eronder is weggeslagen.

Bij dezen wil ik mijn excuses aanbieden aan de lezer, aan Theodor Holman en vooral aan de persoon die me een Tikkie van honderd euro stuurde. Ja, dat lees je goed: honderd euro. Mocht diegene zich bekocht voelen dan stort ik dat bedrag uiteraard zonder morren terug.

Overigens was dat niet de enige reactie op het stukje. Eén lezer vond dat ik te luchtig was over de aard van Holmans islam-kritiek in de nasleep van de moord op zijn vriend Van Gogh. Deze lezer schreef: ‘In zijn columns in Het Parool werd hij ongemeen zuur, met name over jongere generaties, een beetje Max Pam-erig dus. Zoals Hans Teeuwen na de dood van zijn vriend koos voor rancune, leek ook Holman permanent boos op de wereld vanwege dit onrecht. En dan kan je wel doen alsof de zure oude (witte) man een mythe is, alsof het ónze schuld is dat hij in een hokje terechtkwam, maar dat vind ik net zo eenzijdig gedacht als het gedachtegoed dat je denkt te bestrijden.’

Dit wilde ik even met jullie delen, want wellicht heeft hij een punt. Het was niet mijn bedoeling om te bagatelliseren wat Holman destijds heeft bijgedragen aan de polarisering en verharding van het debat.

Overigens dacht ik met mijn stukje niets te bestrijden. Zeker geen gedachtegoed. Hooguit rancune en starheid en een gebrek aan empathie en vergeving. Mijn antwoord aan deze lezer was als volgt: ‘Ik liet expres in in het midden in hoeverre die kritiek in die tijd terecht was. Ik benoemde dat het voor mijn tijd was en dat ik er het fijne niet vanaf weet. Het punt van het stukje is niet politiek. Het punt van het stukje is: compassie, iemand weer een kans geven, iemand die schitterend schrijft en een mooi hart heeft, dat weet ik zeker, maar die toen inderdaad vast heel boos was, en een vriend had verloren, en leefde in een verwarrende tijd, precies zoals nu, wanneer compassie óók zo belangrijk is.’ Bovenal ging het stukje over het fixeren van een beeld terwijl ondertussen alles verandert en vergaat.

Enfin.

Ondertussen slopen ze m’n huis. Nee, ze verbouwen m’n huis, of in ieder geval de benedenverdieping van m’n huis, maar momenteel bevinden ze zich nog in de sloopfase. De twee bouwvakkers (die níét Ronnie en Bas zijn) blijken allebei in het bezit te zijn gekomen van een boek van me. De één kreeg Hemingway van zijn vrouw, met Kerstmis, en de ander schafte Tussenhuisje aan. Ze zijn, kortom, de beste bouwvakkers ooit.

Ik schrijf dit in de slaapkamer van mijn oudste zoon, op de eerste verdieping, aan zijn bureau. Als ik de la opentrek zie ik pistolen, messen en een paar aanstekers. De pistolen zijn nep, de rest is echt. Ik leef hier nu. Ik heb er een koffieapparaat en een magnetron mee naartoe genomen, en m’n San Pedro cactus, die ik op de vensterbank heb gezet. Ik probeer te schrijven maar zit veelal YouTube-videos over horloges te kijken. Het volume zet ik zo zacht mogelijk, zodat de bouwvakkers het niet kunnen horen, want anders vinden ze me lui en verwend terwijl zij keihard aan het werk zijn. Dan komen ze thuis en gooien ze m’n boek in de vuilnisbak en spugen ze er ook nog op.

Nou ja, ik weet het verder ook niet. Ik wilde alleen eventjes dat stukje van gisteren rectificeren.

 


Je abonneren op deze stukjes kan HIER

holman op de fiets

Van oude menschen, de dingen, die voorbij gaan. Die zin, een boektitel van Couperus, schoot door me heen tijdens het fietsen. Ik bedoel fietsenfietsen. Ik bedoel fietsen met als doel het fietsen zelf, door het bos voornamelijk, en soms natuurlijk ook over een saai stuk weg langs een nietszeggend industrieterrein, al heb ik, moet ik bekennen, nog nooit een véélzeggend industrieterrein gezien.

Maar goed. Ik dacht aan die titel omdat ik dacht aan Theodor Holman. En ook vanwege de houten vloer die, as we speak, uit mijn huiskamer wordt gesloopt, maar dat licht ik zo meteen nog wel toe. Ik dacht aan Theodor Holman omdat ik hem lees, voor het eerst welteverstaan. Het betreft een boek met verzameld werk getiteld Het blijft toch familie, dat me werd aanbevolen door Marja Pruis. Ik heb vooralsnog alleen Familiefeest gelezen, wat memoires lijken te zijn, en vind het schitterend, geschreven met humor en compassie en realiteitszin. Ook las ik de citaten op de cover, met alle lof die Holman kreeg in die tijd. Een tijd voor mijn tijd, want de eerste herinnering die ik heb aan Holman is zijn rol in de nasleep van de moord op Theo van Gogh. Ik heb het niet allemaal even goed meegekregen, maar hij liet zich kritisch uit over de islam—vast niet heel genuanceerd—en werd daardoor al vrij snel, en vrij definitief, in het clubje boze rechtse witte mannen geplaatst, ook al was hij niet wit. Omdat ik hem alleen daarvan kende, en ik in die tijd de neiging had om nogal klakkeloos mee te gaan met de populaire opinie, was hij meteen ook in mijn ogen een ‘verkeerd’ iemand. Niet dat ik daar bewust over nadacht, welnee, ik was er überhaupt niet mee bezig, maar onbewust werd dat beeld wel degelijk gevormd. Het zou in ieder geval niet in me zijn opgekomen om een boek van hem te lezen.

Gek, hoe lang zo’n beeld kan blijven hangen. Het beeld wordt niet herzien. Omdat daar geen reden toe is. Het zit in een archiefmap, en zolang die map niet uit de kast hoeft te worden getrokken blijft het zo. Maar de reden om dat wel te doen, die kwam. Toen ik me zo ongeveer een jaar geleden op De Groene Amsterdammer abonneerde begon ik de column te lezen die, om de week, helemaal achterin staat, geschreven onder de pseudoniem Opheffer. Ik vond ze schitterend, zo goudeerlijk en donker en lief en verdrietig. Maar, barbaar die ik was en ben, had ik geen idee dat Holman erachter schuilging. Ik moest het eerst googlen. En zo kwam het dat ik Marja Pruis om advies vroeg: waar te beginnen met zijn werk?

Blij toe.

Hoe dan ook, op de fiets dacht ik dus aan hem. Dat je zelden nog iets van hem hoort. Dat al die lofzang nu in het verleden ligt. Dat hij nu alleen nog eens in de twee weken zijn prachtige noten speelt op de laatste pagina van de Groene. Dat hij nu oud is. Dat ik ooit op een literair feestje nog lang heb staan kletsen met zijn dochter, Marscha, over wie ik nu lees in Familiefeest, of althans over de kleuter die ze was toen Holmans vader overleed (in haar armen, toen ze onder zijn begeleiding op de wc zat te plassen).

En, omdat ik een narcist ben, zag ik in diezelfde gedachtestroom ook mezelf voor me, degene die ik ben als ik straks oud ben, hoe dan de lof die ooit kreeg (of niet kreeg) in een ver verleden liggen, en de wereld ook aan mij voorbij is gegaan, althans de grote wereld, de media-wereld, de wereld van rumoer en meningen en trends, want zeker niet de kleine wereld, de échte wereld, de wereld van adem en huid en zonlicht en afscheid en krakend hout, en hoe ik dan natuurlijk geen cent te makken heb, maar ik heel misschien nog, op één plek, ergens, hooguit eens in de twee weken, een column mag schrijven.

Maar. Ik zou nog over die houten vloer vertellen, want die speelde ook mee. Mijn huiskamer en keuken worden verbouwd. Er zijn twee leuke bouwvakkers aan het werk (nee, niet Ronnie en Bas uit mijn nieuwe boek) die vandaag de hele houten vloer eruit sloopten. Die vloer is honderd jaar oud, waarvan de laatste vijftien jaar ik erop leefde, tien daarvan met mijn ex-vrouw. Ook met onze twee zoons natuurlijk. Nu doe ik de deur open en zie ik een zandbak.

Dus, nu weet je het. Waarom ik op de fiets nadacht over menschen en dingen die voorbij gaan. Oftewel, zoals ik het eerder noemde, over de échte wereld.

 


Deze stukjes verstuur ik ook altijd per mail. Dat gaat per nieuwsbrief waar je je HIER gratis voor kunt inschrijven.