de roep van de boomblaadjes

Laatst moest ik voordragen in een park in Rotterdam. Ook werd ik er geïnterviewd. In het park hadden ze verschillende kleine podia geplaatst. Op het podium waar ik over een kwartiertje zou worden geïnterviewd stond eerst nog een andere schrijver voor te dragen. Een Vlaming; ik kende hem niet. Ik probeerde te luisteren maar werd afgeleid. Het waren de bomen die ons omringden; hoge bomen, ruisend in de wind; de bladeren lieten steeds even hun lichtere buikjes zien, allemaal tegelijk, als een golf.

Vooral het geluid van de blaadjes en de wind leidde me af. Het gebeurt me vaker. Als ik het hoor wordt mijn aandacht er direct en met kracht naartoe getrokken. Het is alsof het me lonkt, me iets wil zeggen; iets zonder woorden, zonder rationeel fundament. Het kalmeert me, het begeert me; ik begeer het. Het is alsof ieder blaadje een cel in mijn lichaam is. Ik ruis mee, ik ga erin op. Als er vogels fluiten trekt me dat nog dieper het transcendente gevoel in.

In de serie Boardwalk Empire loopt een van de mooiste personages, de verminkte WOI-veteraan en huurling Richard Harrow, alleen en eenzaam een bos in. Hij draagt een geweer. Diep in het bos gaat hij op een boomstam zitten. Hij neemt het masker af dat de verminkte helft van zijn gezicht bedekt, eet een appel en legt een militaire medaille naast zich neer. Hij zit daar en staart naar de bomen om hem heen, boven hem, en hij hoort de wind en vogels. Verder is er niks. Hij steekt de loop van het geweer in zijn mond maar ziet er vanaf wanneer een hond er met zijn masker vandoor gaat. Ook nu weer had ik het: ze riepen hem, die bomen, de vogels. Maar niet persoonlijk, niet gericht. Nee, juist met een totale, allesomvattende achteloosheid, als een zee die zachtjes klotst onder een wolkendek; de druppels zullen toch wel vallen, zullen onherroepelijk terugkeren.

Zonlicht kan hetzelfde bij me doen. Ik wandel soms door het bos met de asiel-pitbull van iemand hier in de straat, en als de zon dan achter de wolken vandaan komt, en weer verdwijnt, en weer tevoorschijn komt, en de heide verandert van tint, van ziel, dan blijf ik staan kijken, en dan heb ik hetzelfde.

Nog een filmscène, deze uit A Thin Red Line. Amerikaanse soldaten, na maanden van gruwelijke strijd, liggen op een schitterend Frans veld te wachten tot de eerste granaten weer inslaan, tot het wapenvuur weer begint. Dan een schitterend detail (laat dat maar aan Terrence Malick over): een streep zonlicht trekt over de grasheuvels. De vrede van dat licht, de achteloze lokroep van dat licht te midden van het zinloze bloedvergieten. Je voelt dat Malick het ook snapt, dat gevoel, en wat het betekent.

Loslaten. Terugkeer. Hereniging.


Ik schreef ook boeken, zie de info op mijn website. Je abonneren op deze stukjes kan hier.

snoepje

In de trein naar Groningen zat ik op een tweezits. Voor me was nog een tweezits, en daarvoor nog een. Op de tweezits voor me zat een vrouw, bezig met haar telefoon (wie niet?). Op de tweezits voor haar zat een moeder naast haar zoontje, ik schat van een jaar of vijf. De moeder was (wie niet?) bezig met haar telefoon, en het jongetje verveelde zich. Hij ging omgedraaid zitten, met zijn knieën op het zitvlak, en spiekte over de rand van de rugleuning naar de vrouw achter hem. Nee, het was geen spieken, het was staren, of nog beter: aangapen. Zijn mond hing een eindje open. De vrouw deed niets boeiends, maar toch was de jongen gefascineerd. Het staren zelf was misschien wat hem boeide; gewoon maar staren naar een ander mens.

Plots werd ik getroffen door een jeugdherinnering. Ik zal een jaar of tien zijn geweest en zat naast mijn vader in de trein, ook weer op een tweezits. Voor ons zat, net als het hierboven beschreven jongetje, een jongetje van een jaar of vijf omgedraaid op zijn knieën. In die tijd hadden de bankjes nog een los gedeelte voor het hoofd, en tussen de rugleuning en dat hoofdgedeelte zat een opening, een horizontale gleuf. Het jongetje gaapte ons aan door die opening; we zagen alleen zijn ogen.

Een telefoon om op te kijken hadden we niet (wie wel?), en dus waren we ons bewust van het aangapende jongetje. Het jongetje zag dat we hem zagen. Dat maakte hem niet zelfbewust, of in ieder geval leek hij geen last van gêne te hebben. Hij bleef maar staren, vooral naar mij. Ik werd er ongemakkelijk van en grinnikte een beetje. Mijn vader ook. Het deed het jongetje niets; hij bleef staren, niet treiterig, niet brutaal, maar eerder een beetje sullig en dom, alsof hij was gedrogeerd of misschien een lobotomie had gehad. Zijn fascinatie voor ons, als het dat al was, was net als in het geval van dat andere jongetje een soort wezenloze, lakse preoccupatie. Wij waren voor hem wellicht wat een muur is voor iemand die zonder zijn verstand uit een coma is gekomen.

Maar toen gebeurde het. Zonder zijn blik van me af te halen plaatste hij heel kalm een lekker groot snoepje tussen de opening. Een snoepbol. In zijn blik leek nu iets te veranderen. Een teken van leven, van anticipatie.  Vond ik het geen lekker snoepje? Ik zou er zeker wel een keer aan willen likken hè? Die bol een beetje door mijn mond laten gaan. Het had iets pervers, alsof hij een van zijn teelballen had neergelegd.

De herinnering maakte me aan het lachen. Ik was enige die niet op zijn telefoon keek, en dus misschien wel de enige die zich überhaupt iets herinnerde.


Mijn meest recente boek heet Berichten uit het tussenhuisje. Je abonneren op deze stukjes kan hier

piano

Op Rotterdam CS, waar ik zaterdag door de grote hal liep na een literatuur- en muziekfestival in het park, zat een jongen achter de openbare piano. Een zwarte jongen met een bandana om zijn hoofd. (Waarom hier opschrijven dat hij zwart was? Is dat niet racistisch? Misschien, ik weet het niet. Ik zeg het erbij omdat hij, zeker in combinatie met die bandana om zijn hoofd, veel weg had van een stoere rapper, wat het contrast met zijn klassieke pianospel vergrootte. Waarschijnlijk is ook dit weer racistisch, want moeten stoere rappers altijd zwart zijn? Nee, dat ook al niet. Natuurlijk niet. Niettemin voelde het niet goed om het detail weg te laten. Misschien ben ik dus een racist, of gewoon heel erg wit.)

Hoe dan ook, het stuk dat hij speelde was sierlijk en melancholiek. Het vulde de enorme hal als onzichtbaar water. De mensen – met haast, lopend, staand, met elkaar in gesprek, onderweg, druk, verdwaald, doelgericht, boos, lachend – begaven zich allemaal in dat water. Het spel van die jongen had de hele werkelijkheid veranderd en al die mensen in een ander licht geplaatst. Ze hadden iets tragisch, iets verdrietigs, en ik voelde compassie voor hen allemaal. Ook had de jongen het verstrijken van de tijd zichtbaar gemaakt, blootgelegd, kleur gegeven. Stof in de wind, waren ze, die mensen, en natuurlijk ook ikzelf. En hij zat daar achter die piano als een druïde, een god, een mysticus die ons allen had betoverd. Ik kon wel huilen.

We hebben genoeg te klagen over onze maatschappij en dat doen we ook. Het materialisme, de angst en haat, de polarisering, de grootmacht van de bedrijven, de toenemende ongelijkheid, het afkalven van de democratie… Maar verdomme, ons idee om een piano neer te zetten op de stations, dat is toch goddomme mooi? Het is toch schitterend hoe in zo’n galmende hal, een spiegelhuis met gezichten die alweer vervangen zijn door een ander als je met je ogen hebt geknipperd, ineens een jongen achter een piano gaat zitten en de hele wereld verandert?

Toen de jongen stopte vreesde ik dat de betovering zou zijn opgeheven. Dat was ook zo, maar slechts gedeeltelijk. Als je heel goed luisterde, en heel goed keek, wist je dat hij iets voorgoed had veranderd. Ik knikte naar hem. Hij knikte terug. Hij wist het ook.


Wil je een abonnement op deze stukjes? Dat kan zowel gratis als betaald. Zie hier.

net mis

Oscar, mijn hagedis, kwam sinds weken weer eens uit zijn schuilplaats. Omdat hij zich zo lang had verborgen had ik geen sprinkhanen voor hem in huis, en hij had nu natuurlijk honger. Dus snel in de auto, naar de dierenwinkel.

Bij een kruispunt op de stadsring moest ik linksaf. Het was rood en werd toen groen. Ik trok op, reed het kruispunt over en stuurde naar links. Een toeterende tegenligger, die met zeventig kilometer per uur rechtdoor reed, en dus met voorrang, miste me op een haar na. Met versnelde hartslag reed ik verder. In de twintig jaar dat ik een rijbewijs heb, heb ik deze fout nog nooit gemaakt.

Ik stelde me het gesprek voor dat zou plaatsvinden na het ongeluk, misschien met de politie. Ik met een whiplash, de tegenligger ernstiger gewond en afgevoerd. Nee, het gesprek was met een familielid. De agent probeerde een gesprek met me te hebben, maar dat familielid, een woedende vrouw, bleef maar naar me schreeuwen. Waarom had ik niet opgelet? Kende ik de verkeersregels niet? Wat deed ik überhaupt in een auto? Ze moesten mijn rijbewijs afpakken en me opsluiten. Door mij was die man bijna dood. Misschien kwam hij in een rolstoel terecht.

Ik wist niet wat ik moest zeggen. Twintig jaar lang was het goed gegaan. Waarom ging het het nu ineens mis? Ik zat niet te bellen, was niet aan het appen. Blijkbaar kon dit gewoon gebeuren. Twintig jaar lang doe je iets goed, waarschijnlijk zelfs uit een automatisme, en ineens gebeurt er iets en doe je het een keer fout. Iets in mijn brein, neuronen en synapsen, vurend, banen zoekend, connecties leggend, zo snel als het licht, en dan ineens een misser. Zelf was ik er, als het ware, ook slechts getuige van. Maar hoe kon ik dat zeggen? Hoe kon ik, in het gezicht van die vrouw, mijn verantwoordelijkheid zo naast me neerleggen? Moest ik zeggen: tja, deze dingen gebeuren gewoon? En de consequenties dan? De represailles. Wie, anders dan ik, moest hiervoor opdraaien? Ik kon moeilijk gewoon weer naar huis rijden en verdergaan met mijn leven.

Enfin, we hadden elkaar dus net gemist, die tegenligger en ik. In de dierenwinkel rekende ik het doosje met sprinkhanen af. Sprinkhanen die, stuk voor stuk, ten dode waren opgeschreven, bij elkaar geworpen in een plastic bakje, voedsel voor de draak. De vrouw achter de kassa zei: ‘Als je wil dat ze langer overleven moet je af en toe een nieuw stukje wortel in het bakje doen.’ Ik vertelde dat ik de insecten altijd in een grotere bak zet en verse appel geef. Daar lachte ze om. ‘O ja,’ zei ze. ‘Dat ben jij. Bij jou hebben de sprinkhanen een goed leven.’


Deze stukkies per mail ontvangen? Een donatie doen? Kijk eens hier.

papa is lief

Zijn oudere broer drong erop aan. ‘Ga gewoon mee zwemmen, Tobi.’ Mijn jongste wilde niet. Het waren de laatste dagen op de camping en het zwembad had glans verloren. Hij was drammerig, chagrijnig en had slaaptekort. Aldoor wilde hij dingen die van mij niet mochten en we hadden steeds meer aanvaringen. Nu moedigde ik hem aan om met zijn broer mee te gaan en niet weer alleen maar in ons houten huisje te hangen, om niet weer nadrukkelijk géén boek te lezen.

Uiteindelijk stemde hij in. Ik hing een handdoek om zijn schouders en gaf hem zijn duikbrilletje, zo eentje zonder neus, die wedstrijdzwemmers ook hebben. Die zette hij, zoals altijd, al meteen op. Met een diepe zucht ging hij het huisje uit.

Een minuut of drie later zag ik op de koelkast zijn magnetische armbandje liggen. Dat had hij nodig om door de poortjes van het zwembad te komen. Het is mijn gewoonte geworden om mijn zoons door schade en schande wijs te laten worden en in dergelijke gevallen uit principe geen actie te ondernemen, maar nu, in acht nemende mijn zoons gemoedstoestand en bovendien het feit dat zijn besluit om toch te gaan zwemmen al een concessie was geweest, greep ik het armbandje en liep ermee richting zwembad.

Zoals verwacht liep hij me tegemoet. Hij zag me nog niet; ik was nog een meter of dertig bij hem vandaan en hij staarde naar de grond, de grote handdoek nog om zijn schouders gedrapeerd en zijn brilletje nog op de ogen; de glazen waren compleet beslagen. Uit zijn lichaamstaal sprak niets dan verontwaardiging. Ik zag zijn mond bewegen. Ik bleef stilstaan. Nog steeds had hij me niet in de gaten. Mensen liepen hem voorbij, volwassenen en kinderen, maar hij sloeg acht op niemand. Hij was volledig in zichzelf gekeerd en verzwolgen door zijn eigen woede. Toen hij dichterbij was ving ik flarden op van wat hij aan het mompelen was: ‘… een uur lopen… helemaal terug… en papa is ook een kutmongool.’

Op dat moment stond ik ineens voor hem. Ik torende boven hem uit, het vergeten armbandje demonstratief bungelend tussen duim en wijsvinger. Na een overdreven kuch vroeg ik: ‘Wát is papa?’ Door de beslagen glazen keek hij geschrokken naar me omhoog. (Net een van de Minions.) Het ventileren van zijn woede, zojuist, was van hem alleen geweest. Eindelijk kon hij eens écht boos op me zijn; onredelijk boos, ongeremd boos, boos zonder repercussies. Maar nu ik voor hem stond had alles plots een andere lading gekregen. ‘Wát is papa?’ herhaalde ik.

‘Lief,’ antwoordde hij onzeker, waarop ik hem zijn armbandje gaf.


Je abonneren op deze stukjes? Zie hier de opties. Mijn meest recente boek heet Berichten uit het tussenhuisje.