de islamisering van huize van straten

De laatste tijd ben ik vaker in de apotheek dan vroeger. (Lang verhaal.) Ik begin me er steeds meer thuis te voelen, ik weet hoelang het ongeveer duurt als ik een nummertje trek en nog x-aantal wachtenden voor me heb en ik herken veel van de gezichten achter de balie. Afgelopen vrijdag, toen ik weer binnenliep, was ik meteen aan de beurt. Maar nu komt het.

Alledrie de medewerksters droegen een hoofddoek. Altijd is er wel eentje bij met een hoofddoek, maar nu dus het voltallige personeel.

Ho, nu niet meteen boos worden, wacht nog heel even voor je me met pek en veren op Twitter of Facebook gooit.

Altijd als ik in de apotheek word geholpen door een medewerkster met hoofddoek doe ik extra vriendelijk. Zelfs als ik chagrijnig ben. Dat zit zo: als ik chagrijnig tegen haar doe, of gewoon niet zo overdreven vriendelijk, dan vrees ik dat ze zal denken dat ik iets tegen moslims heb. Ik heb tatoeages en draag de gouden zegelring van mijn opa, waardoor ze natuurlijk denkt: daar heb je weer zo’n blokkeerfries. (Of, in mijn geval, een blokkeerbrabander.) En ben ik bang dat de kloof nog groter wordt. Kortom: neurotisch gedrag van een witte pleaser. Alsof ik daarmee een cultuuroorlog kan voorkomen. Aan de andere kant: alle beetjes helpen.

Maar nu waren er dus drie, waardoor ik overprikkeld raakte. Die spanning wilde ik uit mijn lijf geleiden via een grap. ‘Gaat lekker met die islamisering hier hè?’ wilde ik zeggen. Het was een scheet die eruit moest. Maar ik durfde niet. Ik was bang dat ze niet zouden weten dat ik een grapje maakte, of dat zo’n grapje überhaupt niet (meer?) kon. Dus hield ik de scheet in en rolde ik opgeblazen als een strandbal de apotheek uit.

Thuis trof ik Samar aan. Dat was ik straal vergeten: er zou een werkster komen om kennis te maken. Ik had haar advertentie gezien. Samar droeg een hoofddoek. Toen ze aan het poetsen was gingen mijn oudste en ik naar de stad. Mijn jongste bleef thuis, in bed, want hij was moe en vond het niet erg om met een vreemde alleen thuis te zijn. Samar zei het gezellig te vinden.

Toen ik thuiskwam was ze klaar. We kletsen wat. Ze informeerde naar mijn scheiding en hoevaak ik de jongens had. Haar man, met wie ze twee kleine kinderen heeft, had namelijk ook een ex met kinderen, en dat was altijd strijd. In de moskee wist natuurlijk iedereen ervan. ‘Iedereen weet alles en iedereen praat over alles,’ zei ze. Waarna ze vertelde dat de moskee steeds leger werd. ‘Jongeren gaan niet meer, net als bij jullie kerken.’

En toen kon het. Ik voelde dat het kon. Ja, het kon. ‘Moskeeën steeds leger?’ blies de opgeblazen strandbal uit. ‘Ja ja. Dat zeg je maar. Je probeert de islamisering te verhullen!’

Samar, gehurkt voor mijn kastje met schoonmaakmiddelen, lachte met een poetsdoek voor haar mond. O, de opluchting!


Ondanks de latente maar onmiskenbare xenofobie tóch een abonnement op deze stukjes? Klik hier.

valk

Vaak ben ik een valk. Wanneer mijn blik aldoor op het telefoonscherm, een boek open op schoot. Het hart kantelend, verpletterd door zichzelf, terugdeinzend zonder uithoek. Lange draden aangesloten op het brein, draden in alle kleuren, en verderop een schakelaar die knarst en knettert onder een lekkend dak; niemand die nog weet hoe hem uit te zetten. Dan ben ik een valk. Hoog in de lucht, de herfstkou tussen mijn veren, zachtjes ruisend, zo glad, zo gestroomlijnd, zo gemakkelijk. Ik ben formidabel, maar als je me in je handen hebt zul je niet geloven hoe weinig ik weeg. Vederlicht. Ik ben een valk als ik onder me de kern van de aarde voel gloeien, en gloeien, en gloeien, en naar boven wil, mijn poten klaar om niets te grijpen. Wat mooi is: in de huizen zie ik geen pijn. Ik zie alleen daken, nee kleuren, nee vlakken. Ik kijk door ogen die sinds het begin van de tijdloze tijd slechts de spiegel van het eigen bewustzijn hebben waargenomen. Alles komt in mij samen, heeft in mij vorm gevonden. Alles verlaat mij, glijdt als een kind op een glijbaan van mijn perfect gevormde staart af. Ik geloof niet dat ik iets zoek. Ik geloof niet dat ik honger heb. Ik geloof niet dat ik zelfs met mijn vleugels hoef te slaan. Net als ik denk dat er iets aan de hand is, dat ik ergens aan word herinnerd, dat ik me zorgen moet maken, word ik verblind door een fel licht, ergens naast me, en sluit ik mijn ogen. Zonder nadenken weet ik waar ik naartoe moet. Met een soepele vleugelverstelling verander ik van koers. Dat licht in. 


Ik schreef ook boeken en je kunt je abonneren en etc. etc.

twee engelse mannen

In de trein: twee Engelse mannen. In pak, tegenover elkaar, ongeveer zo oud als ik. Einde middag, ontspannen, waarschijnlijk klaar voor vandaag. Onderweg naar Amsterdam. Ik lees een boek (Milkman van Anna Burns) maar hoor ze met elkaar praten.

De ene man gaat binnenkort op reis. Niet zakelijk, maar privé. Waar hij naartoe gaat, vraagt de ander. Hij weet het nog niet precies. Japan, sowieso. Misschien de westkust van Amerika, San Francisco. Een stukje van Zuid-Amerika zien lijkt hem ook super. Wat hij van China vindt, wil de ander weten. Nee, daar hoeft hij niet heen. Hongkong is leuk. Ja, zegt de ander, maar dat is geen China. Inmiddels wel, is daarop het antwoord. O ja. Ze lachen.

Het Hollandse landschap trekt voorbij, de zon zakt weg achter de weilanden. De mannen turen uit het raam. Eén van hen gaapt. 

Ik denk aan al die vluchten. Het gemak waarmee het kan. De gewoonste zaak van de wereld. Japan, Zuid-Amerika, misschien San Francisco. Liever geen China, tenzij het Hongkong betreft.

Ik las laatst dat één verre vlucht wat betreft CO2-uitstoot het equivalent is van een leven lang in een Hummer rijden. Toch zullen deze mannen het niet laten, en u ook niet, en ik ook niet. Overal zijn vliegvelden, de vliegtuigen staan klaar, op het internet boek je de vluchten. Je hebt recht op de wereld. Je gaapt op een stoel in de gate. Ongeduldig sta je in de rij tijdens het boarden. Wil je vis, vlees of vegetarisch? Alsof het niet krankzinnig is dat je zit te eten op tien kilometer hoogte, met een snelheid van duizend kilometer per uur.

Waar ga jij heen? O, ik weet het nog niet, ik denk aan Bali. Daar ben ik ook geweest, ik vond het erg druk en Thailand is goedkoper. Ja, zo’n eilandje daar is lekker, maar Bangkok vind ik niks. Ben je wel eens in Indonesië geweest?

Ik lees in mijn boek. De mannen turen ontspannen uit het raam. Aan de lucht kun je niks zien. Ook de zon geeft niks prijs. Het gras is groen en de koeien staan te herkauwen. We leven in een droom.


Deze stukjes per mail ontvangen? Klik hier. Mijn laatste boeken heten Wij zeggen hier niet halfbroer en Berichten uit het tussenhuisje.

een stukje namens mijn moeder

Dit is een stukje namens mijn moeder. Het betreft de elektrische fiets. Mijn moeder heeft geen elektrische fiets en wil ook geen elektrische fiets. Ook al is ze de zeventig al gepasseerd. Het gaat er juist om dat je je spieren blijft gebruiken, vindt ze. Zo blijf je sterk.

Ook ik wil geen elektrische fiets. Altijd als mijn zoontjes en ik worden ingehaald door iemand op een elektrische fiets dan roepen we in koor: ‘Valsspeler!’

Nu is het zo dat mijn moeder vaak fietst met haar hond Fritz, een adolescente Duitse Staande. Dat is nogal een onderneming, maar het gaat haar goed af en ze heeft Fritz goed opgevoed. Ze fietst over de groene wegen rondom Eersel, een dorpje hier in Brabant. Maar af en toe heeft ze last van elektrische fietsers. Ze komen vlak achter haar rijden en willen haar voorbij, omdat ze natuurlijk zo snel gaan door die elektromotor. Mijn moeder gaat heus wel aan de kant, maar dat duurt even, want ook Fritz moet opzij. Die mensen gebruiken dan hun fietsbel, of ze zuchten ongeduldig en geïrriteerd.

Mijn moeder vindt dit belachelijk en ik ook. Dat jullie nu allemaal valsspelen met een elektrische fiets betekent niet dat gewone fietsers ineens de spelbrekers zijn. Wij trappen gewoon met onze spieren, wij gebruiken onze benen, de kracht die God ons heeft gegeven. Ik weet zeker dat God voor fietsen spierkracht in gedachten had en geen elektromotor. Dus jullie moeten een beetje normaal doen. Of ga anders gewoon op de autoweg fietsen als je per se zo hard moet.

Het ergste vind ik die zucht van irritatie. Het impliceert verhevenheid. Ik snap wel hoe dat komt: je gaat hard, dus je voelt je beter dan iemand die zo hard niet kan. Maar je vergeet daarbij dat je vals speelt, dat het jouw verdienste niet is. Je zou juist bescheiden moeten zijn. Sorry, ik weet dat ik vervelend ben met mijn elektrische fiets, maar zou ik misschien toch even mogen passeren en neem vooral uw tijd. Doe verdomme niet alsof je zo fit en snel bent.

Wat ik al zei: ik schrijf dit stukje namens mijn moeder. En Fritz. Maar eigenlijk ook namens mezelf en alle andere mensen die gewoon normaal doen met een normale fiets. Fijne dag verder. Maak er wat van.


Ik schreef ook boeken. Zie daarvoor deze pagina met info

ed

Af en toe laat ik een pitbull uit, een lichtbruin teefje van een jaar of zes met arthritis. Ze heet Ed. De eerste jaren van haar leven zat ze opgesloten – vandaar waarschijnlijk de arthritis; ze kreeg te weinig beweging – en werd ze gebruikt als fokteefje. Al veel te jong kreeg ze drie nestjes. Daarna werd ze gered en kwam ze terecht bij een vrouw hier in de straat.

Zoals altijd rende ze gisteren kwispelend over straat op zoek naar mijn auto. Het was mooi weer, ze zat naast me, haar snuit uit het raam, haar oogjes half dicht tegen het felle licht en de zon. In de buurt van het bos begon ze – ook zoals altijd – te piepen en te trappelen en me in mijn gezicht te likken. (Toen ik haar voor het eerst ontmoette hield ze afstand en blafte ze. Het kostte tijd. Vertrouwen is bij haar logischerwijs niet vanzelfsprekend.)

Ik stapte uit terwijl zij al over me heen probeerde te klauteren. Ze rende voor me uit, hinkend met haar linker achterpootje los van de grond. Ze rent nooit te ver vooruit en blijft nooit ver achter; altijd kijkt ze waar ik ben; pas als ze me ziet is ze gerustgesteld.

Als we andere mensen tegenkomen is het altijd spannend. Ze zien een pitbull en een man met tatoeages in zijn nek. Sommigen lopen met een boog om ons heen. Anderen willen juist laten zien dat zij zo niet zijn. Dat is goed bedoeld, maar als ze Ed te enthousiast benaderen wordt ze bang en blaft ze met ontblote tanden. Shit, zie je die mensen denken. Het stereotype toch weer bevestigd.

Andere honden zijn nog lastiger. Ed doet niets, maar als ik dat hardop zeg – ze doet niets! – dan klinkt dat zelfs mij in de oren als iets wat iemand zegt vlak voor zo’n beest toehapt. Een ander probleem is dat ze nooit is gesocialiseerd en niet zo goed weet hoe ze moet spelen. Ze begint met grommen en gaat dan heel klungelig een stok zoeken, die ze aandraagt bij de hond in kwestie in de hoop dat die eraan zal trekken. Want dat doet Ed – zoals het een pitbull betaamt – het liefst: vastbijten en trekken. (Ik kan niet van haar winnen.) Gisteren was er een vrouw die, toen Ed ging grommen, paniekerig haar hond meetrok. ‘Ze doet niks!’ riep ik weer, waarna die vrouw terugriep: ‘Het zal vast!’ Ik keek naar Ed, zich van geen kwaad bewust en haar blik op mij. ‘Laat die hond maar,’ zei ik. ‘Ik vind je cool.’ Ze droeg me een stok aan.

Haar pitbullheid is inherent, maar zelf is ze zich er niet van bewust. Niet van haar uiterlijk, niet van het feit dat haar ras ooit is gefokt om te vechten. Ze voelt de zon op haar snoet, net als andere honden, en loopt graag het water in, met dat manke pootje en de gewrichten die haar zoveel pijn doen. Niet dat ze er iets om laat, om die pijn. Daar komt die pitbullheid dan weer van pas.

Op de terugweg zat ze weer hijgend naast me. Haar raampje stond open. De weg was geblokkeerd door een machine. Ik riep naar een man in een fel hesje. Hoe te rijden? Toen de man naderde begon Ed begon heftig te blaffen en grommen, agressiever dan normaal. De auto was haar nest en moest beschermd? De man bleef op afstand en ik sloeg een andere weg in. Er waren daar kinderen aan het spelen; ik reed langzaam. Eén jongetje keek heel brutaal en stapte ineens naar voren met een sissend geluid. Voor de grap, maar intimiderend. Hij stapte op Ed af, zijn gezicht al vlakbij het open raam. Het ging te snel om te kunnen anticiperen. Zonlicht stak me in mijn ogen en ik knipperde, mijn buik in een knoop. Het was zo’n fractie van een seconde waarin alles kan veranderen. Maar toen ik mijn ogen opende was er niets gebeurd. De bomen wuifden nog, de lucht was nog blauw. Ik keek naar Ed, die lachte naar de zon en opnieuw genoot van haar nieuwe leven.


Een betaald of gratis abonnement op deze stukjes neem je HIER. Mijn meest recente boek heet Berichten uit het tussenhuisje.