latten en takjes

Mijn jongste werd dinsdag aangereden door een auto. Ik stond op Utrecht CS op de trein te wachten, dus ik was er niet bij. Hij zat op de fiets, mijn ex was al wat verderop. Toen hij wilde oversteken riep ze nog dat hij moest uitkijken. Hij ging tussen twee geparkeerde auto’s door en keek niet goed. De auto, die daar dertig mocht maar wellicht iets harder reed, raakte hem. Hij vloog over de motorkap. Het hart van mijn ex moet een paar slagen hebben overgeslagen en haar maag zal als een supernova zijn bezweken aan de eigen zwaartekracht, verworden tot een zwart gat.

Ineens is daar het moment waarop het klaar kan zijn. Zo gemakkelijk, zo banaal. De dood geeft niks om dramaturgie, verlangt geen doordachte scène voor het moment van overlijden.

Zo gemakkelijk. Dat was het dan. Net ontbeten, hoofd nog vol alledaagse zorgen. Je denkt dat het niet zomaar kan omdat het niet zomaar zou mógen kunnen.

Maar: This had happened too often before/ And was going to happen too often in the future/ And happened too easily/ Bones were too like lath and twigs/ Blood was too like water/ Cries were too like silence/ The most terrible grimaces too like footprints in mud. (Uit Crow’s Account of The Battle van Ted Hughes.)

En zo is het. Maar goed, hij had alleen een gekneusde pols en een schaafwond op zijn elleboog. En een kromgebogen fiets. En, volgens mijn moeder, een engeltje op zijn schouder.

Toch lijkt hij kwetsbaarder dan eerst. Misschien is ook hij zich nu bewust van zijn botten als latten en takjes, zijn bloed als water, zijn schreeuw als stilte. Hij lijkt wat bleker, wat voorzichtiger. En ik wat wanhopiger, wat zekerder van mijn machteloosheid.


Stukjes, stukjes, abonneer je er hier op.

de islamisering van huize van straten

De laatste tijd ben ik vaker in de apotheek dan vroeger. (Lang verhaal.) Ik begin me er steeds meer thuis te voelen, ik weet hoelang het ongeveer duurt als ik een nummertje trek en nog x-aantal wachtenden voor me heb en ik herken veel van de gezichten achter de balie. Afgelopen vrijdag, toen ik weer binnenliep, was ik meteen aan de beurt. Maar nu komt het.

Alledrie de medewerksters droegen een hoofddoek. Altijd is er wel eentje bij met een hoofddoek, maar nu dus het voltallige personeel.

Ho, nu niet meteen boos worden, wacht nog heel even voor je me met pek en veren op Twitter of Facebook gooit.

Altijd als ik in de apotheek word geholpen door een medewerkster met hoofddoek doe ik extra vriendelijk. Zelfs als ik chagrijnig ben. Dat zit zo: als ik chagrijnig tegen haar doe, of gewoon niet zo overdreven vriendelijk, dan vrees ik dat ze zal denken dat ik iets tegen moslims heb. Ik heb tatoeages en draag de gouden zegelring van mijn opa, waardoor ze natuurlijk denkt: daar heb je weer zo’n blokkeerfries. (Of, in mijn geval, een blokkeerbrabander.) En ben ik bang dat de kloof nog groter wordt. Kortom: neurotisch gedrag van een witte pleaser. Alsof ik daarmee een cultuuroorlog kan voorkomen. Aan de andere kant: alle beetjes helpen.

Maar nu waren er dus drie, waardoor ik overprikkeld raakte. Die spanning wilde ik uit mijn lijf geleiden via een grap. ‘Gaat lekker met die islamisering hier hè?’ wilde ik zeggen. Het was een scheet die eruit moest. Maar ik durfde niet. Ik was bang dat ze niet zouden weten dat ik een grapje maakte, of dat zo’n grapje überhaupt niet (meer?) kon. Dus hield ik de scheet in en rolde ik opgeblazen als een strandbal de apotheek uit.

Thuis trof ik Samar aan. Dat was ik straal vergeten: er zou een werkster komen om kennis te maken. Ik had haar advertentie gezien. Samar droeg een hoofddoek. Toen ze aan het poetsen was gingen mijn oudste en ik naar de stad. Mijn jongste bleef thuis, in bed, want hij was moe en vond het niet erg om met een vreemde alleen thuis te zijn. Samar zei het gezellig te vinden.

Toen ik thuiskwam was ze klaar. We kletsen wat. Ze informeerde naar mijn scheiding en hoevaak ik de jongens had. Haar man, met wie ze twee kleine kinderen heeft, had namelijk ook een ex met kinderen, en dat was altijd strijd. In de moskee wist natuurlijk iedereen ervan. ‘Iedereen weet alles en iedereen praat over alles,’ zei ze. Waarna ze vertelde dat de moskee steeds leger werd. ‘Jongeren gaan niet meer, net als bij jullie kerken.’

En toen kon het. Ik voelde dat het kon. Ja, het kon. ‘Moskeeën steeds leger?’ blies de opgeblazen strandbal uit. ‘Ja ja. Dat zeg je maar. Je probeert de islamisering te verhullen!’

Samar, gehurkt voor mijn kastje met schoonmaakmiddelen, lachte met een poetsdoek voor haar mond. O, de opluchting!


Ondanks de latente maar onmiskenbare xenofobie tóch een abonnement op deze stukjes? Klik hier.

valk

Vaak ben ik een valk. Wanneer mijn blik aldoor op het telefoonscherm, een boek open op schoot. Het hart kantelend, verpletterd door zichzelf, terugdeinzend zonder uithoek. Lange draden aangesloten op het brein, draden in alle kleuren, en verderop een schakelaar die knarst en knettert onder een lekkend dak; niemand die nog weet hoe hem uit te zetten. Dan ben ik een valk. Hoog in de lucht, de herfstkou tussen mijn veren, zachtjes ruisend, zo glad, zo gestroomlijnd, zo gemakkelijk. Ik ben formidabel, maar als je me in je handen hebt zul je niet geloven hoe weinig ik weeg. Vederlicht. Ik ben een valk als ik onder me de kern van de aarde voel gloeien, en gloeien, en gloeien, en naar boven wil, mijn poten klaar om niets te grijpen. Wat mooi is: in de huizen zie ik geen pijn. Ik zie alleen daken, nee kleuren, nee vlakken. Ik kijk door ogen die sinds het begin van de tijdloze tijd slechts de spiegel van het eigen bewustzijn hebben waargenomen. Alles komt in mij samen, heeft in mij vorm gevonden. Alles verlaat mij, glijdt als een kind op een glijbaan van mijn perfect gevormde staart af. Ik geloof niet dat ik iets zoek. Ik geloof niet dat ik honger heb. Ik geloof niet dat ik zelfs met mijn vleugels hoef te slaan. Net als ik denk dat er iets aan de hand is, dat ik ergens aan word herinnerd, dat ik me zorgen moet maken, word ik verblind door een fel licht, ergens naast me, en sluit ik mijn ogen. Zonder nadenken weet ik waar ik naartoe moet. Met een soepele vleugelverstelling verander ik van koers. Dat licht in. 


Ik schreef ook boeken en je kunt je abonneren en etc. etc.

twee engelse mannen

In de trein: twee Engelse mannen. In pak, tegenover elkaar, ongeveer zo oud als ik. Einde middag, ontspannen, waarschijnlijk klaar voor vandaag. Onderweg naar Amsterdam. Ik lees een boek (Milkman van Anna Burns) maar hoor ze met elkaar praten.

De ene man gaat binnenkort op reis. Niet zakelijk, maar privé. Waar hij naartoe gaat, vraagt de ander. Hij weet het nog niet precies. Japan, sowieso. Misschien de westkust van Amerika, San Francisco. Een stukje van Zuid-Amerika zien lijkt hem ook super. Wat hij van China vindt, wil de ander weten. Nee, daar hoeft hij niet heen. Hongkong is leuk. Ja, zegt de ander, maar dat is geen China. Inmiddels wel, is daarop het antwoord. O ja. Ze lachen.

Het Hollandse landschap trekt voorbij, de zon zakt weg achter de weilanden. De mannen turen uit het raam. Eén van hen gaapt. 

Ik denk aan al die vluchten. Het gemak waarmee het kan. De gewoonste zaak van de wereld. Japan, Zuid-Amerika, misschien San Francisco. Liever geen China, tenzij het Hongkong betreft.

Ik las laatst dat één verre vlucht wat betreft CO2-uitstoot het equivalent is van een leven lang in een Hummer rijden. Toch zullen deze mannen het niet laten, en u ook niet, en ik ook niet. Overal zijn vliegvelden, de vliegtuigen staan klaar, op het internet boek je de vluchten. Je hebt recht op de wereld. Je gaapt op een stoel in de gate. Ongeduldig sta je in de rij tijdens het boarden. Wil je vis, vlees of vegetarisch? Alsof het niet krankzinnig is dat je zit te eten op tien kilometer hoogte, met een snelheid van duizend kilometer per uur.

Waar ga jij heen? O, ik weet het nog niet, ik denk aan Bali. Daar ben ik ook geweest, ik vond het erg druk en Thailand is goedkoper. Ja, zo’n eilandje daar is lekker, maar Bangkok vind ik niks. Ben je wel eens in Indonesië geweest?

Ik lees in mijn boek. De mannen turen ontspannen uit het raam. Aan de lucht kun je niks zien. Ook de zon geeft niks prijs. Het gras is groen en de koeien staan te herkauwen. We leven in een droom.


Deze stukjes per mail ontvangen? Klik hier. Mijn laatste boeken heten Wij zeggen hier niet halfbroer en Berichten uit het tussenhuisje.

een stukje namens mijn moeder

Dit is een stukje namens mijn moeder. Het betreft de elektrische fiets. Mijn moeder heeft geen elektrische fiets en wil ook geen elektrische fiets. Ook al is ze de zeventig al gepasseerd. Het gaat er juist om dat je je spieren blijft gebruiken, vindt ze. Zo blijf je sterk.

Ook ik wil geen elektrische fiets. Altijd als mijn zoontjes en ik worden ingehaald door iemand op een elektrische fiets dan roepen we in koor: ‘Valsspeler!’

Nu is het zo dat mijn moeder vaak fietst met haar hond Fritz, een adolescente Duitse Staande. Dat is nogal een onderneming, maar het gaat haar goed af en ze heeft Fritz goed opgevoed. Ze fietst over de groene wegen rondom Eersel, een dorpje hier in Brabant. Maar af en toe heeft ze last van elektrische fietsers. Ze komen vlak achter haar rijden en willen haar voorbij, omdat ze natuurlijk zo snel gaan door die elektromotor. Mijn moeder gaat heus wel aan de kant, maar dat duurt even, want ook Fritz moet opzij. Die mensen gebruiken dan hun fietsbel, of ze zuchten ongeduldig en geïrriteerd.

Mijn moeder vindt dit belachelijk en ik ook. Dat jullie nu allemaal valsspelen met een elektrische fiets betekent niet dat gewone fietsers ineens de spelbrekers zijn. Wij trappen gewoon met onze spieren, wij gebruiken onze benen, de kracht die God ons heeft gegeven. Ik weet zeker dat God voor fietsen spierkracht in gedachten had en geen elektromotor. Dus jullie moeten een beetje normaal doen. Of ga anders gewoon op de autoweg fietsen als je per se zo hard moet.

Het ergste vind ik die zucht van irritatie. Het impliceert verhevenheid. Ik snap wel hoe dat komt: je gaat hard, dus je voelt je beter dan iemand die zo hard niet kan. Maar je vergeet daarbij dat je vals speelt, dat het jouw verdienste niet is. Je zou juist bescheiden moeten zijn. Sorry, ik weet dat ik vervelend ben met mijn elektrische fiets, maar zou ik misschien toch even mogen passeren en neem vooral uw tijd. Doe verdomme niet alsof je zo fit en snel bent.

Wat ik al zei: ik schrijf dit stukje namens mijn moeder. En Fritz. Maar eigenlijk ook namens mezelf en alle andere mensen die gewoon normaal doen met een normale fiets. Fijne dag verder. Maak er wat van.


Ik schreef ook boeken. Zie daarvoor deze pagina met info