ondertussen, cont’d

Ik heb duiven op m’n dak en ik slaap op zolder. Deze dagen word ik dus rond half zes wakker. Ik weet niet wat ze daarboven precies aan het doen zijn, maar dat ze de voorschriften van het RIVM aan hun laars lappen is wel duidelijk. Ik heb op het internet een apparaat besteld dat ze moet verjagen, maar toen ik daarna—inderdaad: daarná—de online recensies las begreep ik dat ik er niets van hoefde te verwachten. ‘Uw bestelling is onderweg!’ las het onderwerp van een mailtje zojuist. Het ding kostte negenenvijftig euro en negenennegentig cent.

Met thuisonderwijs begonnen we eerst om negen uur, toen om half tien en nu om tien uur. Met z’n drieën zitten we hier aan tafel te werken. Ik probeer te schrijven, maar ben meer bezig met breuken, die ik overigens zelf, zo blijkt, ook hartstikke moeilijk vind. Ondanks de afleidingen ben ik met Ernest Hemingway is gecanceld al over de dertigduizend woorden. Toegegeven: ik werk er voornamelijk aan als mijn jongens bij hun moeder zijn.

Gisteren kreeg ik de zomerbrochure van Nijgh & Van Ditmar thuisgestuurd. Mijn thrillernovelle Kwaad bloed staat nog steeds, ondanks de coronacrisis, gepland voor mei/ juni. Ik zag dat hij elf euro en vijftig cent gaat kosten. Daarvan krijg ik tien procent, dus dat is één euro en vijftien cent. Dat betekent dat ik—naar beneden afgerond—tweeënvijftig exemplaren moet verkopen om het apparaat tegen duiven terug te verdienen. Een apparaat dat ik na ontvangst meteen weg kan gooien.

In de Groene Amsterdammer van deze week staat mijn essay over het boek Fluwelen woede van Alan Downs. Het was een confronterend boek voor me, ook al behoor ik niet tot de doelgroep: homoseksuele mannen. Maar mijn punt is juist dat het boek voor een veel breder publiek interessant en nuttig kan zijn. In het nummer van de Groene staan veel meer interessante verhalen, dus pik er vooral eentje op. Je hebt verder toch niks te doen. 

Wat trouwens ondertussen ook aan de hand is, en niet stopt, is de puberteit van mijn oudste zoon. Als er ooit een tijd was waarin ik hem níét in quarantaine had gewild… Mijn god; hij kan geen bak cornflakes eten zonder op mijn zenuwen te werken (er al onderweg van de keuken lopend van eten, knoeien, slurpen, vreten als een varken…). 

Enfin. Straks maar weer naar het bos. Lekker naar bejaarden hoesten.

 


Abonneer je HIER op deze stukjes.

anekdote (heel kort)

Mijn alleenstaande vader, woonachtig te Rotterdam, had boodschappen gedaan en liep de supermarkt uit. Er liepen twee mensen voor hem, dus hij hield afstand. De mensen, een stel, ook al wat ouder, liepen traag en zagen er ook niet uit alsof ze heel veel sneller konden—niet heel atletisch zeg maar—en ook waren hun hoofden naar voren gebogen. Mijn vader liep dichtbij genoeg om hen te kunnen horen. Ze waren aan het bidden. ‘Oh heer, sta ons bij, wees met ons,’ etc.

Mijn vader vond het een aandoenlijk schouwspel, en ook al is hij niet gelovig, hij is wel al zevenenzestig, dus de vrees voor het virus is ook hem niet vreemd. Hij voelde zich ineens sterk met hen verbonden.

Maar wel waren ze hem nu toch echt wat te traag. Dus haalde hij ze in, uiteraard met een boog van anderhalve meter. En hij kon het niet laten, hij moest even contact met hen maken: ‘Zo,’ zei hij. ‘Aan het bidden?’

De twee keken naar hem op. ‘Jazeker,’ zei de man. ‘We bidden voor een flink bedrag.’

Pas toen zag mijn vader waarom hun hoofden zo naar voren hadden gehangen. Ze hadden krasloten.


Abonneer je hier gratis op deze stukjes. 

corona shaming

Toen er werd gehamsterd, en de schappen met wc-papier leeg waren, hing er bij ons in de supermarkt een vreemde sfeer. Argwaan en alertheid. Mensen hielden elkaar in de gaten. Ik merkte het vooral aan mezelf. Ik was me extra bewust van wat ik in mijn mandje plaatste, en hoe dat overkwam. Maar ook kon ik het niet laten om te kijken wat anderen in hun winkelwagen hadden liggen. Die man daar: zes flessen Fanta. Was hij een hamster? Ergens hoopte ik een échte hamster te zien. Nee, niet het knaagdier. Ik bedoel iemand met bijvoorbeeld vijf pakken toiletpapier. Daar verlangde ik naar. Op hem of haar zou ik al mijn hoon en spot kunnen uitstorten. Mijn mening. Mijn gelijk. ‘Gaatie lekker?’ Zo zou ik beginnen, middenin de winkel, luid en duidelijk, zodat iedereen me kon horen. En dan zou ik de klus afmaken, mijn slachtoffer vernederd achterlaten.

Een paar dagen geleden heractiveerde Instagram; in deze periode van quarantaine zoek ik toch weer een beetje contact met de buitenwereld. En ook daar zie ik het gebeuren. Mensen nemen elkaar de maat. Zo zag ik meerdere mensen iets delen over influencers die reclame maken voor handcrème (je krijgt droge handen van al dat wassen) en zo een slaatje uit de crisis slaan. Er gaan mensen dood en jullie, etc. Dat was het sentiment. Begrijp me niet verkeerd: ik háát influencers —ze zijn talentloos, oppervlakkig en materialistisch—maar ik haat ze niet nú ineens. En die kritiek vind ik te makkelijk: je kunt ook bij een vuilnisbak gaan staan en wachten tot iemand een halve krentenbol weggooit, om dan naar diegene te wijzen en te zeggen: ‘In Afrika komen ze om van de honger en jij gooit eten weg?!’

Ook zag ik iets over mensen die buiten gaan voetballen. Dat zij verantwoordelijk zouden zijn voor de doden die nu nog vallen.

Op Twitter ga ik niet eens meer kijken. De sociale controle daar vond ik beangstigend. Dat zal nu werkelijk niet te harden zijn.

Maar ik snap de behoefte. Zie wat ik hiervoor schreef over de supermarkt: de drang die ik voelde om zo’n hamster te shamen. Het voelt goed. Je staat aan de goede kant. Je draagt je steentje bij aan het beheersen van de crisis. Het voelt als engagement, als helpen. Maar het wordt al vrij snel eng en hypocriet.

Ik weet niet joh. Het blijft mensenwerk, een mensenwereld. Gisteren fietste ik naar de dierenwinkel om sprinkhanen te kopen voor Oscar. Toen ik de winkel binnenstapte stond er een oude vrouw bij de kassa. Ik hield afstand, maar toen moest ze nog iets anders pakken en kwam ze mijn kant op. Achterwaarts maneuvreerde ik me door het smalle gangpad, tot ik niet verder kon. ‘Mevrouw,’ zei ik. ‘Ik doe m’n best, maar…’ Ze haalde haar schouders op. ‘Ach,’ zei ze. Had zij thuis moeten blijven? Of ik? 

Onderweg zag ik een man op een scootmobiel met een kleinkind op schoot. Ze reden heerlijk door het zonnetje. Niks aan de hand, concludeerde ik, maar misschien ligt die man nu in het ziekenhuis.

 


Abonneer je op deze stukjes en krijg een gesigneerde pot bruine bonen thuisgestuurd.

ondertussen

Gisteravond zag ik een mug. Een mug. Nog even en de processierupsen zijn er weer, waarschijnlijk veel talrijker dan vorig jaar. We zullen niet naar buiten mogen vanwege de brandhaartjes; één zuchtje wind en je bent eronder bedolven; je krabt je huid van je botten en je leeft verder als een geraamte. Van coronacrisis naar processierupsencrisis.

Mijn roman in wording telt inmiddels meer dan twintigduizend woorden. Ik heb ook de titel al: Ernest Hemingway is gecanceld. Ik ben ermee in mijn nopjes.

Pieter Kuijpers stuurde me de derde versie van zijn scenario van Kwaad bloed, die novelle die hij gaat—of wil—verfilmen. Het is het boekje dat in september als Brabants boekgeschenk verscheen. Toen heette het nog Van Gogh sneed hier nooit een oor af. In mei wordt het opnieuw gepubliceerd, maar dan landelijk. Inshallah.

Mijn jongste zoon is gisteravond op zijn step naar de Albert Heijn geracet om daar vlak na de levering van nieuw wc-papier een pak met zestien rollen te kopen. Er lag er nog één. We hebben gedanst van vreugde; al dagen grijp ik mis en het was nu echt op. ‘Sorry voor de roze inkt, papa,’ zei hij, omdat ik ooit heb gezegd dat inkt op wc-papier slecht is voor het milieu.

Ook over mijn oudste zoon heb ik iets heel grappigs te vertellen, maar helaas mag ik over hem niks meer schrijven, dat heeft hij me laten beloven. Dus dat lopen jullie helaas mis. Het is echt héél grappig.

Chantal Janzen vroeg me voor haar magazine &C een persoonlijk verhaal te schrijven over tegenslagen en hoe daarmee om te gaan. Het is een spoedklus vanwege een themanummer. Ik heb onder andere geschreven over dat gekloot met antidepressiva, en de column in de LINDA—Janzens concurrent—die ik kwijtraakte. Ik had eigenlijk helemaal geen zin in het schrijven van zo’n persoonlijk verhaal,  dat zei ik jullie al eerder, maar in deze crisis moet ik alle klussen aannemen die me worden aangeboden. En toen ik het eenmaal zat te schrijven wilde ik er toch iets moois van maken.

Wat betreft die antidepressiva: ik zit nu op week vier van een nieuw medicijn en ben voorzichtig optimistisch. Tot optimisme was ik eerst niet eens in staat, dus dat is een goed teken.

Mijn hagedis Oscar heeft zijn eigen probleem: hij is aan het vervellen. Verwoed en wanhopig schuurt hij met zijn afbladderende lichaam langs de stenen. Hij kijkt naar me met zo’n blik van: help me dan. Waarop ik zeg: ‘Ja dag, Oscar. Wij onze crisis, jij de jouwe.’


Abonneer je HIER gratis op deze stukjes.

de vreemdste maandag

Dit moet de vreemdste maandag van mijn leven zijn. Een vriend zei gisteren al: ‘Dit is onze eerste echte acute crisissituatie.’ En dat klopt. Ik werd geboren in 1980; er was nooit echt iets aan de hand. Zelfs mijn ouders hadden nooit zoiets, denk ik. Ik kan alleen de Koude Oorlog bedenken. Maar sloten toen alle café’s en alle scholen? Nee. We hebben de klimaatcrisis, maar die is niet accuut; die brengt ons langzaam aan de kook als kikkers in een pan.

Vannacht was het akelig stil. Normaal hou ik van stilte. Nu niet. Waarschijnlijk was het de nachten eraan voorafgaand trouwens even stil, maar bij stilte gaat er altijd om hoe hij ervaren wordt. Eigenlijk gaat het met alles daarom. Ook had ik een nachtmerrie die overduidelijk door deze toestand beïnvloed was. Het was iets met overleven en kou, en geen verwarming, en het escaleerde dusdanig dat ik een man doodde met vuistslagen. Dat is waar ik midden in de nacht van wakker werd.

Nooit heb ik me, geloof ik, zo eenzaam gevoeld. Mijn jongens gingen gisteren naar hun moeder. Normaal zou ik nu ook alleen zijn geweest, en aan het werk, maar het is dus net als met die stilte: het gaat erom hoe je het ervaart. Nu voelt het alsof ik ieders hand heb losgelaten en ik ze langzaam in de verte zie verdwijnen. Het resulteert in de behoefte aan contact, en dan met name fysiek contact. Iemand vasthouden. Het liefdesverdriet wordt er zo in ieder geval niet makkelijker op. Ook mis ik Vinnie, de hond die ik had. Ik heb zijn nieuwe baasje een berichtje gestuurd en om een update gevraagd. Ineens maak ik me zorgen om hem.

Ik heb mensen hoor. Er zijn mensen. Maar deze situatie trekt ons toch allemaal een beetje uit elkaar, dat voel je. Op mijn meest dramatische momenten gaat de volgende gedachte door me heen: dus dit is hoe het eindigt. Irrationeel en overdreven, ik weet het, maar toch.

En dan dit: hoe snel het gewone leven een droom lijkt. Gisteren keek ik een film waarin mensen in een restaurant zaten te drinken en eten. Normaal zou ik daar niets van denken of bij voelen. Nu had het al iets raars, iets onwerkelijks. De film kon ik daardoor niet meer echt geloven, waardoor mijn betrokkenheid wegviel. Met de roman die ik lees (Edgar & Lucy, steengoed) heb ik hetzelfde. Vluchten in fictie—tv of boek—is dus geen optie.

In de sportschool, nog maar gisteren, riep ik op weg naar uitgang: ‘Niet sluiten hoor!’ Twee uur later waren ze gesloten. Als ik er nu aan terugdenk hoor ik een galm op mijn stem, ook weer als in een droom. En nu zie ik in gedachten al die fitnessapparaten staan, in het donker, verlaten. Zo voelt de hele wereld nu een beetje. Het normale leven is al iets waar je aan terug kunt denken. Dat is een krankzinnige gewaarwording.

Toen ik gisteren mijn atypische stukje naar jullie had verstuurd kreeg ik enkele uren later een mailtje van een abonnee. Ze schreef: ‘Ik vind dit een akelig en stom stukje. Het maakt me verdrietig. Mijn hoop was dat je iets zou schrijven waar we wat aan hebben.’ Zelf vond ik het inmiddels ook al geen leuk stukje meer. In die paar tussenliggende uren was alles alweer veranderd. Want zo snel ging alles nu. Zo snel veranderde het. Overigens weet ik niet of jullie aan dít stukje wél iets hebben. Een hart onder de riem kun je het in ieder geval niet noemen. Wel kan ik zeggen dat ik het met mijn hart geschreven heb.


Abonneer je HIER gratis op deze stukjes.