drones

Op tv een item over drones. Er zijn steeds meer soorten, ze worden steeds beter, er is zelfs al een drone waar je als mens in kunt zitten, en die je dus jezelf bestuurt, wat betekent dat je eigenlijk gewoon je eigen kleine vliegende schotel hebt, en dus een alien bent. Ik dacht aan een tekenfilm die ik vroeger vaak keek tijdens het ontbijt, voor school, naast mijn krantlezende stiefvader. Ik weet niet meer hoe de serie heet; het was een soort The Flinstones, maar dan juist gesitueerd in de toekomst. The Jeffersons?

Er kwam iemand aan het woord over zo’n drone, een enthousiasteling die ermee stond te spelen op een veld. Hij wist er alles van. Ik vroeg me af hoe dat voor hem was. Zo’n drone was voor hem natuurlijk een eindeloze wereld waarin hij zich steeds verder kon verdiepen. Hij kende de onderdelen, merken, types, nieuwste modellen, recensies, etc. Waar wij gewoon een drone zagen, zag hij veel meer.

Dat is met alles zo. Ik heb een tijdje aan skateboarden gedaan, pas rond mijn vierendertigste. Mij overkwam hetzelfde: eerst was een skateboard gewoon een skateboard, maar toen kwamen er steeds meer dimensies bij. Ik wist ineens alles van trucks, van wielen, van formaten, van types plank (decks). Ik zag niet meer alleen een skateboard; het werd een wereld op zich.

Als je ergens op inzoomt valt het in steeds meer onderdelen uit elkaar. Er zijn steeds meer componenten. Het maakt niet uit waar je naar kijkt; als je er lang en goed genoeg naar kijkt dan gebeurt het.

Dit geldt bijvoorbeeld ook voor liefde, of de natuur, of je eigen gedachten en bewustzijn. Ik deed een paar keer een ayahuasca-ceremonie (een nacht lang onder de invloed van een psychedelicum) en toen gebeurde het onophoudelijk. Met gesloten ogen zag ik alles uit elkaar vallen in steeds kleinere en kleinere stukjes, en in steeds meer en meer dimensies. Niets was slechts wat het was. Iedere gedachte, ieder beeld en iedere associatie had nog een laag eronder, en nog een laag daaronder, enzovoorts. In de natuurkunde kennen ze dit principe ook: moleculen, elektronen, sub-atomische deeltjes, quarks, whatever. Uiteindelijk kun je niets vastpakken en zeggen: dit is dat.

Tijdens het ontbijt, na zo’n ceremonie, aan een grote tafel met de anderen die beduusd en gehavend en dankbaar uit die nacht waren gekomen, was er een jongen die de woorden voor zijn ervaring niet kon vinden en alleen maar zei: ‘There is no end to it. It doesn’t matter where you look, there is no end to it.’

Het gaat maar door, het valt steeds verder uit elkaar, het is meer en meer en meer.


Je abonneren op deze stukjes KAN HIER. En informeer bij de boekhandel eens naar mijn boeken.

7 euro

Behoorlijk teleurgesteld, was ik vandaag, toen ik het nieuws hoorde over de vliegtaks. Die wordt namelijk zeven euro. Op alle vluchten. Zeven euro, wat een laf bedrag.

Ik ken van die types die graag naar Thailand vliegen, of dan weer eens naar Bali. Nou, die zien daar voortaan natuurlijk vanaf. Die gaan voortaan lekker kamperen in de Ardennen. Of nee, wacht, ze kunnen natuurlijk ook gewoon bij de Starbucks op Schiphol twee cappuccino’s minder bestellen. Of weet je wat ze óók kunnen doen? Die twee cappuccino’s alsnóg bestellen en, terwijl ze er lachend van drinken, een middelvinger opsteken naar iedereen die het zien wil.

(Ik las ergens dat je met één retourvlucht naar Bali evenveel CO2 de lucht inpompt als wanneer je je hele leven lang in een Hummer rijdt.)

Maar Henk, hebben de mensen dan niet ook zélf een verantwoordelijkheid? Ze kunnen er toch ook voor kiezen om níét te vliegen? Leuk dat je dat vraagt! Ik ken inderdaad iemand die niet vliegt. Zij en haar gezin gaan in Nederland op vakantie, of hooguit in Frankrijk en Duitsland. Zij redeneert precies zo: als individu kun je er zélf voor kiezen om de aarde te sparen.

Maar ja, zij is ‘zo iemand’. Ik heb het over mensen die iets inzien én ernaar kunnen handelen. Rationele mensen, zeg maar. Maar helaas: rationele mensen kun je op één hand tellen.

Neem mij, bijvoorbeeld. Laatst nog vloog ik met mijn vriendin naar Ierland. Ik dacht even aan CO2-emissies, maar ik ging toch. Gisteren appte diezelfde vriendin een goedkope vlucht naar Sicilië, voor in de lente. Ik twijfel nog, en ik denk ook nu weer aan CO2-emissies, maar ik kan mijn vingers al bijna voelen appen: ‘Fuck it, we gaan.’ 

Dat is natuurlijk precies waarom we een overheid hebben. En wetgeving. Want als ík een moord pleeg dan ben ik persoonlijk niet van mening dat ik daarvoor de gevangenis in moet, maar niettemin wil ik toch graag een wet die gebiedt dat je na het plegen van een moord de gevangenis in moet. Het lijkt me nu eenmaal beter. En zo is het vanzelfsprekend ook met vliegen. En met vlees eten. Ik denk dat de wereld erop vooruitgaat als we veel minder vliegen, en veel minder vlees eten, en ik zal stemmen op de politieke partij die belooft daarnaar te zullen streven, maar het móét me van hogerhand worden opgelegd. Want Sicilië. Want de gouden M langs de snelweg op een katerige zondagmiddag.

Overigens is een vlieg- of vleestaks natuurlijk helemaal niet eerlijk. Alleen de rijken kunnen het zich dan nog permitteren. Mijn vriend T. haalde daar zijn schouders bij op: ‘Ons probleem is juist dat íédereen zich álles wil kunnen permitteren.’

Persoonlijk ga ik voor rantsoenering. Je mag één keer per twee jaar vliegen. En zo’n vlucht is dan zeven euro goedkoper dan nu.


Je kunt je abonneren op deze stukjes. Dat kan hier.

indekken, vervolgd

Waar was ik gebleven? O ja, dus ik zeg tegen die serveerster: ‘En als we met z’n achten één tosti bestellen?’ Nu blijft ze me aanstaren. Zo van: hou je moeder maar voor de gek. Ik hef m’n armen op in een gebaar van overgave en zeg, achteruitlopend: ‘Oké, oké, maar in mijn verdediging, die collega van je, die jongen, die had ook kunnen zéggen dat ik iets moest bestellen.’ Ze wil nog iets terugzeggen maar wordt dan ergens door afgeleid, een bestelling of zo.

Bij het tafeltje vertel ik Stine Jensen hoe de vork in de steel steekt, of stak. ‘We hadden hier dus helemaal niet mogen zitten.’ Stine’s wenkbrauwen gaan iets omhoog, maar niet veel; ze is geen vrouw van dramatische mimiek. De serveerster, echter, reageert met meer engagement. Ze stond blijkbaar vlakbij en heeft me horen vertellen. Mijn uitleg vond ze niet adequaat, zo blijkt, want ze wil graag nog even toelichten. ‘Het zit zo,’ begint ze, nu tegen Stine. Ze legt het, voor de goede orde, nog eens uit. De vlammen van mijn recalcitrantie laaien hoger op, want plots herinner ik me mijn tegenargument. ‘Maar je collega,’ zeg ik weer. ‘Die had kunnen zéggen dat ik iets te eten moest bestellen.’

Stine beaamt: ‘Dat is zo, dat had hij kunnen doen.’

De serveerster glimlacht naar ons als naar flauwe kinderen. ‘Kom,’ zegt ze. ‘Je zag dat hij menu’s neerlegde, en bestek, dus toen had je het kunnen weten, en toen had je kunnen zeggen dat je alleen maar wat kwam drinken.’

‘Niet mee eens!’ roep ik, opgewonden omdat ik mijn gelijk ruik. Ik heb zelf namelijk ook lang in de horeca gewerkt. ‘De bediening behoort bij binnenkomst te vragen of je wat komt eten of alleen wat komt drinken.’

De vrouw schudt glimlachend van nee.

‘Jawel,’ zeg ik. ‘Kijk.’ Ik wijs naar de ingang, naar het stukje vloer bij de bar, je zou kunnen zeggen de entree. ‘Dáár dient de selectie plaats te vinden. Daar is bij uitstek de plaats waar je de gasten selecteert op eters of alleen-wat-drinkers.’ Ik wijs niet alleen, ik gebaar met twee uitgestrekte armen en beeld zo als het ware de complete entree uit.

Stine zegt: ‘Ja, de selectie gebeurt daar.’ Waarop ik heftig begin te knikken.

De vrouw zucht en rolt met haar ogen. Dat is trouwens niet waar, ze rolt helemaal niet met haar ogen, maar dat is wel de emotie die ze uitstraalt, en dus schrijf ik dat ze met haar ogen rolt. Ze zegt: ‘Dat is niet hoe het hier werkt.’

Inmiddels hebben Stine en ik onze jassen aan en schuifelen we met z’n drieën, al discussiërend, richting de uitgang. ‘Goed,’ zeg ik. ‘Prima. Maar kunnen we dan op z’n minst afspreken dat jullie openstaan voor een herziening van de regels? Ik kan daarover meedenken. Ik heb er ideeën over.’

Stine en ik passeren de jongen, de ober van wie ik aan het tafeltje mocht gaan zitten. Hij staat laconiek met een meisje te flirten. Als hij me ziet begroet hij me met een cool achterwaarts hoofdknikje.


Je abonneren op deze stukjes? Klik dan alsjeblieft hier. En kijk ook eens naar mijn boeken, als je wilt.

indekken

Goed, ik ga proberen een stukje te schrijven. Met moeite. Ik zat namelijk even helemáál niet in die geestestoestand. Misschien nu nog steeds niet hoor. Even proberen. Wacht…

Nou, ik interviewde dus Stine Jensen in Amsterdam. Of dat ging ik doen. Nee, dat héb ik ook gedaan! Zie je, hier gaat het al mis. Ik wist wel dat het nu niet zou gaan lukken.

Nog eens. Ik héb Stine Jensen geïnterviewd, in Café Amsterdam, dus in een café in Amsterdam dat Café Amsterdam heet. O man, ik geef dit zo op hoor.

Enfin, dus ik loop dat grand café binnen – heel ruim, heel hoog, heel mooi, geen muziek, amper tafeltjes bezet – en loop naar een tafeltje toe. ‘Kan ik hier gewoon gaan zitten?’ De jonge ober glimlachte losjes en cool. ‘Zeker, ga lekker zitten. Komt er nog iemand?’ Nou, ik verwachtte natuurlijk Stine Jensen, dus ik zei: ‘Zeker!’ Waarop hij weer lekker losjes en welwillend naar me glimlachte. 

Het gaat ook helemaal mis met de werkwoordstijden in dit stukje, trouwens.

Maar goed. Ik zat wat met m’n vriendin te appen terwijl die ober twee menukaarten neerlegde, en twee keer bestek. Ik hoefde niet te eten, het was 15:30, ik sloeg er geen acht op, ik zat te appen, die jongen legt menu’s neer, whatever.

Waar het om gaat is: Stine Jensen komt en gaat zitten. We drinken thee. Ik interview haar. We kletsen wat, we slaan onszelf op de dijen na een goede grap. Dan zijn we klaar en loop ik naar de tengere vrouw toe die even verderop een tafeltje aan het indekken is. Of ik bij haar mag pinnen, vraag ik.

‘Ja,’ zegt ze. ‘Maar ik wil u er wel op wijzen dat u aan dat tafeltje eigenijk eten had moeten bestellen.’ Ik veins schuldbesef en zeg: ‘Nee toch! En nu?’ Nou, ze vindt het niet een heel groot probleem, maar eigenlijk moet je, als je alleen wat drinkt, aan een ander tafeltje zitten. Want nu is het dan toevallig heel rustig, maar als het druk is dan ben je dus heel veel tijd kwijt aan het indekken van tafeltjes waaraan vervolgens helemaal niet wordt gegeten.

Pff, oké dit gaat zo nog wel, dit gaat oké, doortypen nu.

Dus ik zeg: ‘Ik wist het werkelijk niet!’ Ze vindt het niet erg, zegt ze, maar voor in het vervolg dan, of ik er dan op wil letten. ‘Al bestel je alleen een tosti,’ zegt ze, waarop ik instemmend knik en vraag: ‘En één tosti delen met z’n tweeën? Mag dat ook?’

Dat mag ook, zegt ze.

‘En een tosti met z’n vieren, mag je dan ook nog daar zitten?’

Ze staart me aan. Ze pikt de ironie in m’n stem wel op, maar de zaak gaat haar te zeer aan het hart, en dus zegt ze: ‘Ja, dan ook nog.’

Dus ik vraag: ‘En als we met z’n achten een tosti best-’

O fuck it, ik heb echt geen zin meer. Ik schrijf morgen deel twee wel.


Hier staat vandaag niks.

aardbeving in kleedkamer

Twee Indische mannen van middelbare leeftijd praten in de kleedkamer van de sportschool. Ze hebben het over de recente aardbevingen aldaar. De chaos en de ellende. Ze hebben er familie. Ze praten kalm terwijl ze zich aankleden, hun haar nat van het douchen.

De ene man vertrekt dan. De andere zit op het bankje en trekt zijn schoenen aan. Hij praat nog. Het gesprek heeft zich – ik weet niet precies hoe – verplaatst naar mij en een andere, witte man. En ineens – ik weet wederom niet precies hoe – gaat het over moslims en christenen.

De Indische man is een christen, vertelt hij. Een minderheid in Indonesië. (Leden van zijn familie zijn een minderheid, althans, want zelf is hij hier geboren.) Maar nu het land opgeruimd moet worden, heropgebouwd moet worden, nu er dingen georganiseerd en geregeld moeten worden, nu er hard moet worden gewerkt, morgen de christenen dat natuurlijk weer opknappen. ‘Nu hebben ze ons nodig.’ Een wijsvinger begeleidt zijn linkerhiel de glanzende, leren schoen in. ‘Maar zodra wij de boel hebben opgelapt zijn ze weer klaar met ons en worden we opgejaagd en verdreven of vermoord.’ Hij weet dit omdat het hem is verteld door familieleden. 

Ik had deze wending niet zien aankomen en ik knik alsof ik het begrijp. Hij trekt zijn tweede schoen aan. De witte man zegt dingen als ‘Het is niet normaal’ en ‘Daar dus ook al’. De twee lijken elkaar te hebben gevonden. Ik ben aangekleed en heb mijn jas al aan. Ik geloof niet dat ik iets aan het gesprek heb toe te voegen, dus ik zeg ‘Houdoe’ en verlaat de kleedkamer. Achter me hoor ik twee keer ‘Houdoe’ terug. Ik ben net op tijd weg, denk ik; net voor het waarlijk akelige gedeelte van het gesprek begint.

Op de fiets naar huis mijmer ik een beetje. De mijmering vormt zich niet echt tot een sterke mening of duidelijke emotie. Het is allemaal een beetje vloeibaar en verwarrend, maar ook doornig en oncomfortabel. En ik heb steeds een beeld voor ogen van een groepje mensen dat een verwoest land opbouwt. Het zijn de christenen. Zwetend sjouwen ze met gruzelementen, vermoeid metselenen ze nieuwe muurtjes. Aan de zijlijn wachten de moslims tot de christenen klaar zijn, het zonlicht valt op hun getrokken zwaarden. Ik vraag me af of de man in de kleedkamer zoiets bedoelde. Of hij voor zich zag wat ik nu zie. 


Als je echt per se een abonnement op deze stukjes wilt nemen dan kan dat hier.