vlinder

Meer dan vroeger vallen vlinders me op. Ik denk omdat er vroeger meer van waren. Ik zag ze vaker. Nu zie ik er eentje fladderen en denk ik: gelukkig, ze zijn er nog. Tegelijkertijd maakt zo’n ontmoeting me een beetje verdrietig, omdat het me herinnert aan de radicale afname van hun soort.

Ik was een weekje in de Ardennen met mijn twee zoons en mijn vader. Daar zag ik ze meerdan hier. Simpele witte of lichtgele vlinders. Bonte of afwijkende kleuren verwacht ik al niet meer. Zittend in een stoel voor het huis zag ik ze voorbij fladderen. Het ziet er altijd zo klungelig uit, hoe ze vliegen. Tevens kan ik me niet onttrekken aan de gedachte dat het ze veel moeite kost. Vergelijk het eens met een huisvlieg: die gaan in een rechte streep van A naar B, alsof ze het zich alleen maar hoeven voornemen; ze bedenken waar ze naartoe willen en dan zitten ze er al, nog even fris als ervoor. Als ik naar een vlinder kijk zie ik inspanning. Misschien zijn er daarom veel meer vliegen dan vlinders. Een spijtige terzijde hierbij is natuurlijk de vlinder van de processierups, want die gaat het voor de wind. (Stel dat ik een vlinder zag, en ik wist dat hij een processievlinder was, zou ik hem dan doodslaan? De jeuk op mijn benen die ik na een fietstocht kan hebben moedigt me ertoe aan, zoveel is zeker.)

Lijkt de mens meer op de vlinder of meer op de huisvlieg? Misschien verschilt dat per persoon. Ik identificeer me in ieder geval meer met de vlinder. Mijn vleugels kunnen me wel dragen, maar ik vlieg klungelig en het kost me moeite. Ik zoek altijd naar een plek om te landen. Eenmaal geland, echter, vrees ik een aanval en fladder ik weer op. Ik verlang naar mijn tijd in de cocon.

In de Ardennen klom ik over touwen, door de bomen, hoog boven de grond. Ik klom op een tien meter hoge paal, ging erop staan en sprong naar een bel (raak!). Ik bezocht een oorlogsmuseum. Ik reed bergafwaarts over een bospad met een step voorzien van dikke crossbanden. Ik kocht stokbrood en Belgische biertjes in de Carrefour met een mondkapje op, want dat moet daar. Ik lag wakker van geluiden die ik niet kende en waaraan ik pas op de laatste avond gewend was. Zo fladderde ik.

Mijn zoons waren huisvliegen.

Mijn vader hield me meerdere keren per dag op de hoogte van het nieuws omtrent Covid-19. Vooral in België nam het toe, zei hij. Hij wilde dat we onze handen vaker wasten en twijfelde soms of hij er juist aan had gedaan om met ons mee te gaan. Maar aan de andere kant: thuis in Rotterdam, op dertien hoog, zit hij ook maar een beetje in z’n eentje. Ook als ik naar hem kijk zie ik een vlinder die met moeite zijn gewicht in de lucht houdt.

Mijn jongste zoon is weer bang voor wespen. Ik zeg ‘weer’ omdat ik hem vorig jaar, in Turkije, juist zo ver had gekregen dat hij ze kon waarderen. ‘Kijk hoe ze je eten afzagen en meenemen.’ Maar toen werd hij gestoken, zonder aanleiding, en sindsdien is de angst terug. In de Ardennen waren er nog amper wespen. Die komen je pas lastigvallen als ze uit hun nest verbannen zijn, hun zoetbehoefte niet langer bevredigd door de larven waarvoor ze zorg droegen en die hen daarvoor beloonden met een suikerig goedje.

Maar de wesp is weer een ander verhaal. Het gaat nu even over de vlinder. Of ging, want ik ben klaar.

 


Leuk als je je op deze stukjes wilt abonneren. Je krijgt ze dan per mail. Het is gratis. Klik hier.

 

dan maar over de action

Er zijn grote dingen waarover ik zou kunnen schrijven, maar waar ik óf weerstand tegen voel, óf geen toestemming voor heb.

Zo was er mijn vriend T. die gisteren tegen me zei dat hij me minder gespannen vond dan normaal. Hij noemde me ‘geaard’. Ja, dat is groot, maar het gaat wel weer over medicatie, en therapie, en dat soort dingen, en daar voel ik dus weerstand tegen. Ik wil er niet over uitweiden, bedoel ik.

Het andere grote is dat mijn oudste zoon (13) zaterdagavond aanschoof bij mij en mijn vrienden, hier aan tafel, waar we zaten te pokeren. Hij kocht zich in met twee euro, zette een zonnebril op en had al snel meer fiches dan ik. Hij lachte om onze grappen en luisterde naar de verhalen over vroeger. Hij was één van ons. Ik zag hem die avond een paar jaar ouder worden. Hij ging naar bed om half drie. Maar goed, hij heeft me verboden om over hem te schrijven, dus helaas moet ik het hierbij laten.

Dan maar iets over de Action. Daar was ik net. Ik weet het verder ook niet. Ik kocht voor vijfenzeventig euro aan spullen, waaronder een zwarte globe. Wat normaal blauw is, is bij deze globe zwart. Het voelde toepasselijk. Ook kocht ik twee tangen en een zaag, want in de achtertuin duwt een dikke tak tegen de houten schutting en dat piept enorm. Verder nog schoonmaakspullen en opbergdoosjes, en conditioner en een anti-frizz-spray (voor mijn lange krullen, die niet te droog mogen worden), en eiwitpoeder, en van die bruisballen voor in bad voor mijn jongste zoon. Zoals vaker schrok ik toen ik ging afrekenen; bij de Action is alles goedkoop, waardoor je lukraak alles maar in je kar gooit, en dan blijkt het iedere keer tóch duur te zijn.

In de krant, gisteren, las ik een hele bijlage over complotdenkers en complottheorieën. Het deed me duizelen. Ik voel tegenstrijdige neigingen: ik wil die mensen afdoen als dom en lachwekkend, maar ik denk ook dat je het probleem (tweedeling, radicalisering, etc.) daarmee alleen maar groter maakt, en ook dat het gevaarlijk is, deze desintegratie van een (enigszins) gedeelde waarheid.

Later op de dag dacht ik daaraan terug. Ik was in de sportschool, waar een man en een vrouw over corona stonden te praten. De man wist er enorm veel van en had er ook sterke meningen over (zoals dat gaat). Heel stellig hoorde ik hem zeggen: ‘Je gaat niet dood aan corona, je gaat dood aan de gevólgen van corona.’ Hij vond dat een heel belangrijk onderscheid om te maken. Vervolgens heb ik, geheel tegen mijn zin, veel langer dan nodig over dat zinnetje nagedacht.

 


Lees HIER een mooie recensie over Kwaad bloed in de Volkskrant. En abonneer je HIER gratis op deze stukjes. 

 

tarahumara

Ik heb weer iets nieuws. Iets wat me zal redden. Een ademhalingstechniek. Het was een advertentie op Instagram; ik ben er weer eens ingetrapt; het algoritme weet waar mijn zwaktes liggen.

Want wat bleek? Ik ademde verkeerd; te oppervlakkig en te veel, waardoor mijn lichaam en geest in feite permanent in de veronderstelling zijn dat er gevaar dreigt. Noem het maar de fight/flight/freeze-modus; stress, onrust, etc. Op een andere manier ademen, waardoor mijn lichaam een hoger percentage CO2 tolereert en dus minder zuurstof nodig heeft, zou alles beter maken: mijn gemoed, mijn gezondheid, mijn werk, mijn relaties.

Ik moest leren ademen als de Tarahumara, een stam van de oorspronkelijke bewoners van Noord-Amerika. Om dat te bereiken hoefde ik alleen maar een digitaal cursusboek à $14,99 te kopen. Het antwoord op al mijn problemen zou me nog geen vijftien dollar kosten, en vijf minuten per dag.

Breathing in Flow, heet het boek. Het telt zesenzestig bladzijden, maar in feite heb ik maar één pagina nodig. Op die pagina staat de techniek. In- en uitademen door mijn neus, daar begint het mee. Ik moet mikken op vier tot zeven in- en uitademingen per minuut. Dat moet de norm worden. Om dat te bereiken moet ik—met tussenpozen—vijf keer mijn neus dichtknijpen en die zo lang mogelijk dichthouden, tot ik echt niet meer kan, en dan weer proberen terug te komen bij die basis-ademhaling. Dat was alles. Nu weten jullie het ook. Geen dank.

Ik doe het op de bank. Dagelijks. Dan zit ik daar mijn neus dicht te knijpen en te stikken. Het is geen fijn gevoel. Het voelt alsof ik—nou ja—stik. Mijn brein vuurt panieksignalen af. Ik heb besloten om het als een oefening in memento mori te beschouwen. Het dient als een mensenschedel op mijn bureau, als uitzicht op een begraafplaats. Want het is belangrijk om daar niet voor weg te kijken. Althans dat lees ik in Keep It Fake, van Eric G. Wilson. Hij schrijft: ‘Sit by it. A long time. It’s all you’ve got.’ In een wereld waarin geen absolute waarheid bestaat, of (zoals de Boeddha het zei) geen inherente essentie, waarin alles onderdeel is van een verhaal en op verschillende manieren geïnterpreteerd kan worden, is alleen de dood authentiek. Vervolgens vertelt hij een anekdote over de schrijver Ralph Waldo Emerson (1803-1882), die twee maanden na de dood van zijn vrouw haar lijk opgroef omdat hij de enige echte waarheid met zijn eigen ogen wilde aanschouwen. Zijn vermoeden werd bevestigd, werd erin geramd, werd eindelijk een rotsvast geloof: ‘His future was skull.’

Nou ja, goed. Ik weet het verder ook niet. De Tarahumara hebben schijnbaar veel baat bij hun ademhalingstechniek, en als het niet werkt dan zijn er nog genoeg andere advertenties om op te klikken. 

 


Neem vooral een gratis abonnement op deze stukjes. Klik hier.

 

witte spin/ kwaad bloed

In mijn achtertuin, op het hoogste punt van een plant, zat op een blaadje een witte spin. Hij had een vlieg te pakken die even groot was als hij. Niet in een web, maar tussen zijn voorpoten en kaken. Hij had geen web. De volgende dag zat hij er nog steeds, nu zonder vlieg. De dag erna nog steeds. Hij zat er te wachten op nieuwe prooien. Tot aan de ‘storm’ van eergisteren heeft hij er gezeten. Nu is hij weg. Ik had nog nooit zo’n volledig witte spin gezien.

‘Getver,’ reageerden sommige mensen toen ik een foto van de spin op Instagram plaatste. Maar ik vond de spin juist hartstikke mooi en was blij met hem. En een beetje sip toen hij weg was. (Waar is hij nu?)

Uiteraard begrijp ik de reactie. Een spin is voor veel mensen eng. En deze was dan ook nog eens helemaal wit, zoals het witte paard van de vier paardrijders van de Apocalyps, het paard van de dood.

Zo begrijp ik ook goed waarom sommige mensen Kwaad bloed niet willen lezen, of niet hebben uitgelezen. Een trouwe lezer van mijn stukjes mailde me erover: ‘Het spijt me, ik hou van je stukjes, maar dit was niks voor mij.’ Dat snapte ik. Als je mijn stukjes en boeken met memoires bent gewend is het schrikken om een scène te lezen waarin een man wordt gedwongen om in het afgehakte hoofd van een pony te masturberen.

Niet alleen begrijp ik deze reactie; hij doet me ook goed. Het bewijst dat ik nog steeds óók een schrijver van fictie ben. Dat ik alle kanten op kan. Na twee boeken met memoires is dat een fijne en nodige gewaarwording; bijna een soort medicijn tegen de ziekte van navelstaarderij, of in ieder geval een gezond tegengewicht, zodat er weer een beetje balans is.

Nog een reden dat de reactie me goed deed is het bewerkstelligde effect van mijn beschreven narigheid. Het geweld in Kwaad bloed is geen gratuit geweld; het is functioneel geweld. Zoals ik ook in het radio-interview bij Opium vertelde: ik wilde niet shockeren om het shockeren. De haat van de gijzelnemer, en zijn handelen naar die haat, moet bij de lezer een gevoel van ongeloof en schrik teweeg brengen. Het is namelijk diezelfde onbevattelijke haat die—om maar een voorbeeld te noemen—Brenton Tarrant ertoe bracht om in het Nieuw-Zeelandse plaatsje Christchurch in twee moskeeën het vuur op onschuldige mensen te openen.

Bovendien hoort de gruwelijkheid evengoed bij het leven als de schoonheid. En ik schrijf nu eenmaal over het leven. Zo’n witte spin, die het levenssap uit een vlieg zuigt, die hoort er ook bij. En nu kun je zeggen: ‘Maar die spin, die handelt niet uit haat.’ Dat is zo. Hij handelt uit honger. Zijn moord op de vlieg is een reflex. Maar uiteindelijk is de moord op mensen dat ook. Want ook haat komt ergens vandaan, borrelt ergens op. Het heeft een oorsprong en is het gevolg van iets anders, en dat heeft ook weer een reden. Het is een lijn van oorzaak en gevolg die te herleiden is tot aan de oerknal. In die zin bestaat er niks wat er niet bijhoort. En dus niks waarover ik niet schrijven wil, en zal.

Wat ik eigenlijk maar zeggen wil: je hoeft Kwaad bloed niet te lezen, als je het maar kóópt. 

 


Heel leuk als je je op deze stukjes wilt abonneren. Het is gratuit. Ik bedoel gratis

apocalyps nu

Bezweet na het thuisfitnessen lag ik met mijn blote rug op mijn spijkermatje na te denken over de huidige apocalyps. Die is namelijk niet aanstaande, maar al gaande. Dat hoorde ik iemand zeggen in The Duncan Trussel Family Hour, een Amerikaanse podcast. Sindsdien houdt het me bezig.

De voorspelling van de Maya’s was volgens deze man wel degelijk (om en nabij) uitgekomen. Het punt is echter dat wij van het einde der tijden een verkeerd beeld hebben. We denken aan de aarde die openbarst, de elektriciteit die wereldwijd uitvalt, een vuurzee, etc. Maar wat nu, zei deze man, als het moreel en spiritueel verval betreft, en het einde van de waarheid? Wat nu als we zo verward raken, en zo cynisch, dat de waarheid er niet meer toe doet? Met Donald Trump als hofnar die ons allen gevoelloos voor controverse en leugens maakt? Geen vuurzee, maar een desintegratie van alles wat ons bij elkaar houdt? Een tijdperk van wantrouwen en onbegrip en haat en isolement…

Hij haalde daarbij een fantastisch voorbeeld aan: een tijdje geleden berichtte CNN over UFO’s, gefilmd door straaljagerpiloten. Het is voor het eerst dat dergelijke beelden van zo’n betrouwbare bron komen en nog niet verklaard zijn. Maar het doet ons niks. ‘Het zou het nieuws moeten domineren,’ zei deze man. ‘Maar iedereen haalt zijn schouders erbij op.’ Het maakt ons niet meer uit. Aliens, het zal wel.

In het Hindoeïsme bestaat het principe van de vier yuga’s. Vier tijdperken. Volgens de berekeningen leven we nu in het Kali yuga, het tijdperk van Kali, het vierde en laatste tijdperk, ook wel het duistere tijdperk genoemd. Wikipedia: ‘Tijdens deze laatste fase, tevens in ethisch opzicht laagste fase, zijn de meeste mensen zich enkel bewust van de fysieke aspecten van het leven; de grootste nadruk ligt op materiële overleving. De relatie tussen mensheid en spiritualisme wordt voornamelijk bepaald door bijgeloof en gezag.’

Bijgeloof en gezag. Hmmmm.

Dus ik lag daar zo over na te denken op mijn spijkermatje en ik dacht: zeker, zeker. Maar ook dacht ik na over onze individuele apocalyps. Zijnde de dood. De vrees voor het einde der tijden, die van álle tijden is, is wellicht ook een metaforische angst. Wij allen gaan een periode van verval tegemoet, waarna we desintegreren. Ouderdom is onze eigen persoonlijke Kali yuga. En omdat we dat zo onbevattelijk vinden, en er zo slecht mee om kunnen gaan, projecteren we die angst op de hele wereld.

Maar. Na het Kali yuga krijgen we het Satya yuga. Het eerste en tevens gouden tijdperk. Zo is het dan ook weer. En daar zijn wij dan ook weer bij. Het zal zijn als ontwaken uit een droom die we ons niet kunnen herinneren, als je die man moet geloven.

 


Doe mij een lol en abonneer je gratis op deze stukjes. Dat doe je hier.