15

Ik wilde het dit keer echt op z’n beloop laten. Gewoon maar zien. Niet steeds dat neurotische, controledrangerige. Als er in de bieb van Amstelveen maar tien mensen zouden zitten, nou, dan was dat maar zo. Het zei niets over mij, of over mijn boeken, of over het leven, of over de zin daarvan.

Een paar minuten nadat ik had besloten dat ik het op z’n beloop zou laten stuurde ik de bieb een berichtje: ‘En? Al aanmeldingen?’ Het antwoord: ‘Dag Henk. Het druppelt door. Nu vijftien.’ Ik dacht aan Tim Hofman, de tv-presentator die een dichtbundel schreef en voor wie de rijen tot ver buiten de boekhandels stonden. Terwijl ik toch echt knapper ben, en grappiger, en slimmer, en een hagedis heb die Oscar heet.

In de trein klampte ik me vast aan de woorden van de bieb: ‘Het druppelt door.’ Dus: vijftien, drup, zestien, drup, zeventien, drup, achttien, drup

Op het Stadsplein voegde ik me bij Elke Geurts, met wie ik af en toe een duo vorm omdat we in onze laatste boeken allebei over onze scheiding schreven. In de bieb werden we ontvangen door Harald, een tengere man met halflang haar die ons mee naar boven nam, waar stoeltjes stonden en enkele mensen al klaarzaten. Ik vroeg: ‘Hoeveel aanmeldingen inmiddels?’ Waarop Harald antwoordde: ‘Vijftien.’

Even voor aanvang ging ik plassen. Ik staarde naar mijn straal, die belletjes op het water maakte, en dacht zoals vaker aan de vissen, ergens, in een rivier, of een sloot, of de zee, die door mijn plas helemaal in de war zouden raken. Wikipedia: ‘Zweedse onderzoekers hebben ontdekt dat sporen van Oxazepam via menselijke urine in waterlopen terechtkomen. De blootgestelde vissen worden minder sociaal en stoutmoediger. Baarzen verlaten hun schuilplaatsen veel eerder, terwijl hun niet-blootgestelde soortgenoten zich verborgen hielden. De oxazepam-vissen bleken ook sneller te eten.’ Ik mompelde: ‘Oxazepam-vissen.’ 

Elke en ik droegen om beurten voor uit onze respectievelijke boeken. Sombere maar hopelijk toch ook wel mooie stukjes. Het ging goed, geloof ik. Het mooiste moment was toen Elke een stukje voorlas over een moment in bed met haar ex, nadat hij had gezegd dat hij niet meer van hield en dat het over was. ‘Gaan we nu niet meer samen in een graf?’ vroeg ze. (Ik parafraseer; haar boek heb ik uitgeleend.) Om er daarna dwingender aan toe te voegen: ‘Ik wil met jou in een graf!’ Er klonk gegniffel, en ook ik lachte, en Elke nu zelf ook. Maar zij lachte verbaasd. Het was alsof in die bieb plots de zon doorbrak. Ze keek me aan vanachter de katheder, ongelovig maar vrolijk, en zei: ‘Is dit nu ineens grappig geworden?’

Het was bevrijding, wist ik. Het was vooruitgang. Het was goed.


Doe jezelf een lol en abonneer je op deze stukjes, gratis dan wel betaald. Het kan hier

watts, 1966

Een tijdje geleden schreef ik over dat nieuwe boek van Yuval Harari, 21 lessen voor de 21e eeuw. Dat het me zo trof, zijn analyse van de technologische vooruitgang en, gelijk daaraan, de corrosie van oude pilaren als democratie en liberalisme, plus de dreiging van een ‘nutteloze klasse’: zij die door de automatisering geen werk meer hebben, dus zo’n beetje iedereen behalve de machtshebbers, de rijke elite en de zeer gespecialiseerden. Ik heb het boek niet uitgelezen; het maakte me te zwaarmoedig, te machteloos, ook al vermoedde ik dat de hoopvolle hoofdstukken nog komen moesten.

Hoe dan ook, ik legde hem weg en las een boek voor dummies over Hindoeïsme, en daarna, omdat ik de smaak van oosterse filosofie en spiritualiteit te pakken had, nam ik weer eens een boekje van Alan Watts ter hand. Dat lees ik nu: The Book On the Taboo Against Knowing Who You Are.

Watts stelt zelden teleur, maar zo helder en scherp als hij in dit boekje schrijft over bewustzijn, filosofie, fysica, ego, mystiek, het leven en de dood las ik hem niet eerder. Zo nuchter, oprecht, intelligent.

En visionair, bovendien. Dit is wat Watts schreef in 1966, zeker zeventien jaar voor de geboorte van het internet zoals we dat nu (ongeveer) kennen:

Increasing efficiency of communication and of controlling human behavior can, instead of liberating us into the air like birds, fix us to the ground like toadstools. All information will come in by super-realistic television and other electronic devices as yet in the planning stage or barely imagined. In one way this will enable the individual to extend himself anywhere without moving his body—even to distant regions of space. But this will be a new kind of individual—an individual with a colossal external nervous system reaching out and out into infinity. And this electronic nervous system will be so interconnected that all individuals plugged in will tend to share the same thoughts, the same feelings, and the same experiences. The tendency will be for all individuals to coalesce into a single bio-electronic body. 

Enfin, meteen kwam het boek van Harari weer in mijn gedachten op. Er was blijkbaar geen ontsnappen aan. Gelukkig heb ik naast de wc ook nog een bundel van A.L. Snijders liggen. Die schrijft gewoon over zijn afgelegen boerderijtje, ganzen, vrienden met motors, verdwaalde vreemdelingen die op zijn erf belanden, wandelingen door de velden. Ook dat is de werkelijkheid.


Kom op, abonneer je op deze stukjes. Mijn meest recente boek heet Berichten uit het tussenhuisje.

het is een nacht

‘We doen gewoon Guus Meeuwis,’ zegt degene die ik de leider noem. ‘Hoe heet dat ene nummer ook alweer?’ Een ander antwoordt: ‘Het is een nacht.’ De leider bevestigt: ‘Ja, die.’

Ik zie ze niet zitten; ze zitten verderop in de coupé. Met z’n zessen zo ongeveer. Studentes van een jaar of twintig. Ze willen een eigen tekst verzinnen op het nummer van Guus Meeuwis. Misschien hebben ze het vanavond al nodig; ik heb geen idee waarnaartoe ze onderweg zijn; ik denk een soort introductie; ik hoor iets over eten en een kroeg.

Er wordt veel gelachen, er is gêne. Er worden pogingen gedaan tot originele teksten. De meeste meisjes proberen iets en zeggen dan zelf al meteen: ‘O mijn god, dat is echt zó kut.’

Ze kennen elkaar niet heel goed, deze meiden. Dat merk je aan hoe ze tegen elkaar doen: amicaal maar gereserveerd; niemand vliegt uit de bocht of permitteert zichzelf een gewaagde opmerking of grap.

Degene die het meest aan het woord is, is de leider. Zoals in iedere nieuwe groep staat er een leider op. Soms meerdere, en dan is er strijd, maar in dit geval is het er maar eentje. Ik hoor haar stem aldoor. Ze stuurt het gesprek. De anderen schikken zich. Twee of drie anderen hoor ik ook relatief veel, en de rest maar amper. Ik vraag me af wat zij denken. Vinden ze de leider irritant, of voelen ze zich veilig in de schaduw? Maken ze zich zorgen over vanavond? Rillen ze bij het idee daar te staan, in die kroeg, met een A4’tje in de hand?

De leider is niet héél dwingend; haar leiderschap is als een spoor waar haar wielen als vanzelfsprekend in vastklikken. In zekere zin neemt ze de verantwoordelijkheid waar de anderen dat laten. Om niet te bazig te lijken, en sympathie op te wekken, ondermijnt ze zichzelf: ‘Wat een kut-idee is dit zeg.’ Ze weet dat de anderen niet met iets beters zullen komen. En het is maar schijn; ze heeft er hartstikke veel zin in.

Het is een ander meisje dat een zinnetje bedenkt waar iedereen blij mee is. Precies op de melodie: ‘Want wij zijn het mooiste jaar, acht leuke meiden, zo bij elkaar.’

In mijn buik kolkt het van de emoties. Mijn eerste reactie is hoon en spot. Cynisme. Maar dan borrelt er gelukkig ook compassie op. Ze maken er het beste van, die meiden. Zelfs de leider. Verdomme, als zij het niet doet, wie dan wél? Vervolgens stel ik me opnieuw de avond voor, en hoe ze daar zullen staan, met dat A4’tje trillend in hun handen, zingend uit de maat, sommigen onverstaanbaar, schaamrood op de kaken, ongemakkelijk lachend, de leider plots onzeker over haar rol. Mijn god wat wil ik er graag bij zijn. De plaatsvervangende schaamte voelen tot in mijn perineum.


Of je je ook kunt abonneren op deze stukjes? Maar natuurlijk! En ik schreef boeken. Zoek zelf maar even op. 

schnabbel & shiva

Ik had een schnabbel: een workshop storytelling voor een select groepje werknemers van een heel groot commercieel bedrijf. Mijn workshop was onderdeel van hun oriëntatieweek, met duurzaamheid als thema. De locatie die ze ervoor hadden afgehuurd was een spiritueel en ecologisch verantwoord centrum, maar dan hip en strak en Amsterdams, met goede koffie en een wand die compleet was bedekt met levende binnenplanten en mos. Ja, mos is ook een plant, whatever; blijf daar vooral aan hangen als je zo graag een betweter wilt zijn.

De werknemers, uit verschillende landen, casual gekleed, zaten gewoon op stoelen aan tafels. De meditatiekussens en matjes zag ik liggen opgeborgen in een kast met glazen deur; groen gedoe was leuk, maar er was een grens. Met pen en papier voor zich luisterden ze verward en onzeker naar mijn kijk op verhalen en de adviezen die ik ze gaf. ‘It’s alright to be confused,’ zei ik, en zette mijn bluf extra kracht bij: ‘The idea is to be confused.’ Daarna gaf ik ze hun schrijfopdracht.

Terwijl ze zaten te schrijven keek ik om me heen. Die wand met planten was schitterend. Hoeveel onderhoud zou zoiets vergen? En wat ik nu inademde, was dat nou gezondere lucht dan wanneer er géén wand met planten was geweest? Achter me stond een groot, massief, koperen beeld van Ganesha, de zoon van Shiva; Shiva was lang op reis geweest en wist helemaal niet dat hij een zoon had, en dus bij thuiskomst hakte hij het hoofd af van de vreemdeling in zijn huis, waarna hij zijn fout besefte en snel een olifantenhoofd op de romp van zijn zoon kwakte. Sindsdien was Ganesha – alsof dat na dit verhaal vanzelfsprekend is – een god die obstakels kon verwijderen.

Aan de andere kant van de zaal stond de vader, Shiva, woest en almachtig met al zijn armen in zijn bekende cirkel van vuur; de grote vernietiger, de god die aan dit hele gedoetje – tijd, ruimte, sterrenstelsels, het leven, smartphones, televisiepersoonlijkheden – rigoureus een einde zal maken, waarna Vishnu en Brahma de boel weer opbouwen en alles weer van voren af aan begint. Ik vroeg me af wanneer dat ging gebeuren. Binnenkort, vermoedde ik. En dan niet het Hindoestaanse binnenkort, want dat kan nog tienduizenden jaren duren. Nee, écht binnenkort.

Ze waren klaar, mijn leerlingen, mijn discipelen. Verwarde gezichten, onzekere blikken, schaamrood op wangen. Wie wilde er als eerste voorlezen? De immer schaamteloze Nederlanders, natuurlijk. Drie van hen had ik de vloer gegeven, en zei toen: ‘Thank you, and now someone not Dutch please.’ Een tijdje was er doodse stilte. Toen kwam er een Japanner naar voren. Hij stond daar heel statig en droeg in welhaast onverstaanbaar Engels zijn verhaal voor. Ik spitste mijn oren. Het was een puik stukje tekst. Ik gaf hem complimenten waarvoor hij me niet bedankte en waarbij hij me niet aankeek. Een klein hoofdknikje gaf hij, richting de vloer. Het was vanwege de Japanse bescheidenheid, vermoedde ik. Of omdat hij wist wat ik wist. Over binnenkort.


Een gratis of betaald abonnement op mijn stukjes? Regel dat hier

badboy

Als er iets over me wordt geschreven krijg ik een Google Alert: een mailtje van Google met daarin de link naar het desbetreffende artikel. Gisterenochtend kwam er eentje binnen. Het betrof een artikel van Het Financieele Dagblad dat ik niet kon lezen omdat je er abonnee voor moest zijn. Wel zag ik de kop: Het verhaal van je scheiding. Ook zag ik hoe ik werd geïntroduceerd, namelijk als ‘de badboy-schrijver Henk van Straten’. De badboy-schrijver zat een tijdje naar die zin te staren, katerig en labiel.

De badboy-schrijver las daarna in de krant over steeds gewelddadigere jeugdcriminaliteit en kon de scenario’s waarin zijn zoons na een nacht op stap in elkaar werden geslagen, werden neergestoken en werden vernederd al zien, en er was niets dat de badboy-schrijver eraan kon doen; de badboy-schrijver stond machteloos.

De badboy-schrijver las daarna iets over de opkomst van extreem rechts in Zweden. Hij vreesde de grote clash der beschavingen, de cultuuroorlog. Hij voorzag het einde van begrip, van compassie. Bloed en verdommenis, angstschreeuwen en handen die elkaar voorgoed los moeten laten. De badboy-schrijver verlangde naar een afgezonderd leven in een huis op het noordelijkste punt van een klein waddeneiland. 

Het was nu middag en zonnig, maar de badboy-schrijver ging liever de straat niet op. De badboy-schrijver kwam liever niet onder de mensen; hij keek hen liever niet aan, bang voor de confrontatie met vreemden, of zelfs vrienden.

Hij stond voor de spiegel. Een goed lichaam, maar voor hoelang nog? Het verval was al ingetreden, de cellen al licht bedorven, de spieren slapper en slapper. Misschien een kankergezwel, ergens daarbinnen, en zo niet dan kwam de zeis van magere Hein wel in een andere vorm. De badboy-schrijver dacht: ik moet naar de sportschool. Hij dacht: ik moet baantjes zwemmen. Hij dacht: ik moet goed eten. Hij dacht: ik heb geen controle, geen controle, geen controle.

Daar stond hij dan, de badboy-schrijver. Wat een badboy, zoals hij daar voor de spiegel stond en naar zichzelf fluisterde: badboy, badboy, what you gonna do, what you gonna do when they come for you?


Je abonneren op deze stukjes? Dat kan hier. Mijn laatste boek heet Berichten uit het tussenhuisje.