vetbollen

Vetbollen ophangen voor de vogeltjes voelt buitenproportioneel goed. Met een dik linkeroog, het resultaat van een ontstoken ooglid, deed ik het gisteren. In mijn zonovergoten maar bijkans bevroren achtertuin hing ik vijf bollen op.

Ik deed iets góéds. Hongerige, verkleumde vogeltjes zouden overleven dankzij mij. Ik had de wereld een stukje beter gemaakt. Vergeet de auto waarmee ik CO2 de atmosfeer in pomp. Vergeet het vlees dat ik soms eet en waar per kilo honderden liters drinkwater voor worden gebruikt, nog even los van het dierenleed. Vergeet alle plastic verpakkingen die ik weggooi. Dat alles werd namelijk volledig gecompenseerd door het ophangen van vijf vetbollen.

Het ooglid was ontstoken sinds een dag eerder; na een lange nacht diepe slaap werd ik ermee wakker en het werd alleen maar dikker. Ik zag eruit als Rocky Balboa. Ik begroette mijn zoontjes die ochtend niet met ‘Goedemorgen’ maar met ‘Adriaaaaaan!’ 

Toen ik naar de stad wandelde om drie gereserveerde boeken op te halen merkte ik dat er anders naar me werd gekeken; de mensen waren me minder goedgezind; ze keken eerder weg of liepen met een boogje om me heen. Eigenlijk voelde dat wel goed. Ik ging wat breder lopen, staarde passanten wat langer en harder aan. Het voelde alsof dit was wie ik in feite moest zijn. Dit was mijn ware ik en dit was de bejegening die ik verdiende. 

Ik had al een paar uur zitten werken, met zicht op de achtertuin, en nog altijd had ik niet één vogeltje op een vetbol zien landen. Waarom niet? Omdat ze me natuurlijk zagen zitten met mijn oog. Die laffe vogeltjes; vijf heerlijke vetbollen maar geen veer in hun dek die eraan dacht om in de achtertuin van de cycloop neer te strijken.

Wel verscheen er ineens een roze ballon, in de vorm van een hartje. Hij zat een tijdje klem tussen de takken van de blauweregen en viel toen op de grond, waar hij bleef deinen en slepen alsof in het bezit van een eigen wil. Na het een uurtje te hebben aangezien liep ik de tuin in met een keukenmes en stak de ballon dood. 

Van werken is het niet meer echt gekomen. Ik heb vooral naar buiten zitten staren, grimmig, mijn zicht belemmerd door het dikke ooglid. In het vervolg zou ik niet langer proberen goed te zijn, besloot ik. Vanaf nu was ik alleen nog maar slecht.


Lees je deze stukjes graag? Je kunt je erop abonneren of je waardering laten blijken door een eenmalige donatie. Op 27 maart verschijnt Berichten uit het tussenhuisje.

holleeder

Willem Holleeder zei maar wat. Toen hij zei dat hij zijn zus Sonja’s kaak zou breken als ze niet luisterde, toen hij zei dat hij haar à la minute zou doodschieten als hij geen geld kreeg voor de film over de Heineken ontvoering. ‘Ik zeg maar wat,’ verklaarde hij in de rechtbank. ‘Ik verzin het op dat moment’.

Ook schijnt hij te hebben gehuild. Toen het ging over Astrids boek over hem. Omdat het niet eerlijk was, omdat het niet waar was en omdat hij ook heus gevoel heeft.

Ik schreef wekelijks voor de Nieuwe Revu toen Holleeder daar werd aangenomen als columnist. Er was veel ophef over. Veel vragen, veel kritiek. De hoofdredacteur hoorde ik met een jeugdig soort bewondering vertellen over hoe dat dan ging: Holleeder die de column met de hand schreef en kwam afgeven als een pakketje drugs, en hoe hij het de redactie verbood om ook maar één zin te redigeren.

Het was de tijd waarin mensen massaal met hem op de foto gingen. Een selfie met Holleeder, echt cool was dat.

Toen ik in die periode naar de nieuwjaarsborrel ging wist ik dat hij er ook zou zijn. Iedereen wist dat. Het gonsde. Ik liep naar binnen, de muziek in, de mensenmassa in, en zag hem staan aan de bar. Het gekke was: ik ving meteen zijn blik. Misschien keek hij naar iedereen die binnenkwam. In maffiafilms zitten ze ook altijd met de rug naar de muur, alert, blik op de deur.

Maar in zijn ogen zag ik bepaald geen angst voor wat mogelijk komen zou. Ik zag was een ontspannen soort vermaak, met daarin een opmeting, een nonchalante berekening. Zoals een leeuw kijkt naar een vogeltje dat enkele meters bij hem vandaan in het gras landt. Te klein om moeite voor te doen, maar toch: heel even is er de afweging.

Ook leek hij ervan uit te gaan dat het hele feestje om hem ging. Dat iedereen tegen hem opkeek, zeker andere mannen, zeker mannen als ik, met tatoeages. Toen ik hem voorbijliep en niet met hem op de foto hoefde werd zijn vermaak waarschijnlijk alleen maar groter. Het feit dat ik dacht dat ik stoer was, dat moet hij lollig hebben gevonden.

Ik was als het vogeltje bij de leeuw. Verheven keerde ik hem mijn staartveer toe. Snaveltje in de lucht. En toch een beetje bang.


Dit stukje schreef ik voor radioprogramma Nooit Meer Slapen. Gisternacht droeg ik het voor. Abonneren op deze stukjes? Klik hier

bloemetjesgordijn

Afgelopen weekend vierde ik Carnaval, verkleed als mijn hagedis Oscar. Het was zondagavond toen ik, ietwat beneveld, mijn schubbige staart achter me aansleepte en het laatste café voor die dag binnentrad.

Toen ik me een weg door de hossende massa had gewurmd en eindelijk bij de bar aankwam viel mijn mond open van verbazing. Ik zag een man, gekleed in net pak en stropdas, en kon zweren dat hij Halbe Zijlstra was. Ik tikte hem op de schouder, waarop hij zich, met in elke hand een biertje, lachend naar me omdraaide.

‘Halbe Zijlstra?’ zei ik. ‘Bent u het écht?’

‘Nee hoor,’ zei Halbe.

‘Maar ik zie u staan,’ zei ik. ‘U bent het wel.’

‘Oké,’ zei hij. ‘Ik ben het wel.’

‘Dus u loog.’

Halbe nam van beide biertjes een slokje en zei: ‘Toen was het nog niet aan de orde.’

Ik staarde hem aan en stamelde. ‘Het was zojuist niet aan de orde dat u Halbe Zijlstra was?’

‘Toen het verhaal speelde heb ik het weggeduwd,’ antwoordde Halbe, en kneep in de clownsneus van een passant.

‘Het was dus desinformatie,’ zei ik, nu wat stelliger, maar werd onderbroken door iemand die zei: ‘Dat is ook maar een mening.’

Nu duizelde het me pas écht. Want het was niet Halbe Zijlstra die dit zei, maar Willem Vermeend, rood van de drank, zijn stropdas over de schouder geworpen.

‘Willem Vermeend?!’ kraamde ik uit.

‘Dat is uw opvatting,’ zei Willem Vermeend.

‘Maar Willem,’ zei ik. ‘U bent toch gewoon wie u bent?’

Willem lachte en kwam zo dichtbij staan dat ik het bier op zijn adem rook. ‘Wat u vindt dat moet u zelf weten,’ zei hij. ‘Ik sta achter wat ik heb gezegd.’

Ik keek van de één naar de ander, totaal beduusd, en vroeg: ‘Wat doen jullie eigenlijk in Eindhoven? Zijn jullie hier samen naartoe gekomen?’

‘Nee,’ zei Halbe. ‘We hebben elkaar nog nooit gezien.’

‘Sterker nog,’ zei Willem. ‘Ik zie Halbe nu nog steeds niet. Halbe? Waar ben je, Halbe?’

De twee keken elkaar aan, barstten in lachen uit en gaven elkaar een highfive, waarna Halbe een lome arm om mijn schouder sloeg en zei: ‘Zeg Henk, weet je wat ik wel zou willen zijn?’

Na een diepe zucht gokte ik: ‘Een bloemetjesgordijn?’ 

Hij knikte, maar nu ineens heel ernstig, alsof het zo onderhand maar eens klaar moest zijn met de waanzin en het voor de gek houden. ‘Weet je Henk,’ zei hij. ‘Een mens moet heel z’n leven blijven knokken. Want anders zit ie zo in de puree. Een mens moet heel zijn leven blijven dokken. Betalen moet ie tot z’n AOW. Maar lekker rustig blijven hangen als een gordijn. Dat moet toch zalig zijn.’


Dit stukje schreef ik voor radioprogramma Nooit Meer Slapen. Gisternacht droeg ik het voor. Ook de komende drie nachten doe ik dat.  

de verwarde man en het gesneuvelde koffiekopje

Na te hebben ingecheckt in een hotel te Doetinchem rende ik door het donker naar de bibliotheek. Ik was te gast bij Boek the Party, een terugkerende avond met schrijvers, gepresenteerd door Wouke van Scherrenburg. De andere gasten waren Toine Heijmans, Elke Geurts en Aaltje van Zweden.

Vlak voor de ingang werd ik begroet door een man van begin dertig. Hij droeg een colbert op een overhemd en een spijkerbroek. Zijn haar was warrig gekamd met veel gel. ‘Hallo,’ zei hij alsof we elkaar kenden. ‘Goed dat je er bent.’ Ik knikte vriendelijk, maar hij zei het op zo’n amicale toon dat ik, terwijl ik naar de klink van de deur greep, me afvroeg of ik hem niet de hand moest schudden. Hoe goed kenden we elkaar? Was het lomp om zomaar door te lopen? Het deed er niet meer toe; ik was al binnen.

Ik keek om me heen, zag Elke en ging snel naast haar zitten. We kregen koffie, Elke en ik, en we kletsten wat. In mijn ooghoek zag ik dezelfde man staan. Hij glimlachte en stond in de buurt, alsof hij beleefd wachtte tot Elke en ik waren uitgepraat. Ik erkende hem opnieuw met een knikje en een glimlach en praatte verder.

Achter ons hoorden we een kopje te pletter slaan, gevolgd door ‘GODVERDOMME’. Ik keek om en zag de man met zijn gezicht in zijn handen staan. ‘O, GODVERDOMME!’ riep hij opnieuw. Hij stond erbij alsof hij als kind een doos met tien bijzondere kopjes had gekregen en dit het tiende en laatste kopje was geweest. 

De schrijvers moesten het podium op. Achter een tafel met microfoons beantwoordden we de vragen van Wouke. Het publiek, veelal mensen van boven de vijftig, zat op stoeltjes aandachtig te luisteren. Tot er ineens achterin de zaal werd geroepen: ‘FUCK YOU! IK HAAT JULLIE!’ Daar stond de man weer, woede en wanhoop in zijn ogen. Hij riep het naar ons. Nu opnieuw: ‘IK HAAT JULLIE!’ Hij trekt een pistool, dacht ik even. Een paar kerels begeleidden hem naar buiten.

Wij schrijvers waren even stil en praatten vervolgens verder alsof er niets was gebeurd. Toch hing zijn stem nog in de lucht. Het voelde als een beschuldiging die – ook al wisten we niet precies waarom – niet helemaal ongegrond was. Althans, zo voelde het voor mij.

Na het signeren en de drie wijntjes (want drie muntjes), pakte ik mijn jas. De nacht lag koud voor de deur en ik dacht aan die man. Zou hij me ergens staan op te wachten? Met een mes misschien? Nog enger vond ik de gedachte dat hij met me wilde praten. Dat hij zou uitleggen waarom zijn leven zo verschrikkelijk was en waarom hij me zo haatte. Dat hij zou zeggen: ‘Waarom kijk je me niet aan? Ben ik dan echt zo verschrikkelijk?’


Het is echt waar: je kunt je op deze stukjes abonneren. Klik hier. Een eenmalige donatie is ook van harte welkom. Eind maart verschijnt Berichten uit het tussenhuisje.

paniekboek

Had zin in een nieuw boek dus stond in de boekwinkel. Was nergens naar op zoek. Niet naar iets specifieks, bedoel ik. Wilde gewoon een beetje kijken en boeken plukken.

Maar het zat me niet lekker. Het voelde daar niet goed. Kleine weeën van paniek. Te warm in mijn jas. Iemand liep me voorbij en schampte me; ik wilde naar hem uithalen. De boeken voelden niet lekker in mijn handen, alsof gewikkeld in prikkeldraad.

Toen begreep ik het. Het was de longlist van de Libris literatuurprijs, waar ik met Wij zeggen hier niet halfbroer niet opstond. Daarnaast was er een shortlist bekend gemaakt van de Boekhandelsprijs, en ook daarop stond ik niet. Toen ik het las wuifde ik het weg. Och, zo gaat dat. De bekende rationele argumenten: er staan zoveel goede boeken niet op die lijstjes, er staan een paar zeer matige op, zo’n jury is ook maar een willekeurig groepje mensen, WZHNH is heel goed gerecenseerd, etc. Allemaal waar en valide, maar nu stond ik hier, omgeven door boeken, en wilde ik een paar kasten omvertrekken. De laatste kans op een prijs of nominatie voor mijn boek was nu officieel vervlogen.

Kortom: de boekhandel was de laatste plaats waar ik wezen moest. Ik was als een oorlogsveteraan met PTSS op oudejaarsavond, omgeven door duizendklappers.

Haastig pakte ik een boek uit de kast. Bezweet rekende ik het af. 

Op de fiets naar huis stopte ik voor het stoplicht naast een man. Hij droeg een heel grote, fluorescerende, gele jas. Een werkman, dacht ik, maar hij droeg afgetrapte sportschoenen en een rafelige rugzak. Eerder iemand die de jas van een werkman had gevónden.

Zodra het licht op groen sprong trapte hij als een bezetene. Hij schoot vooruit, maar even verderop haalde ik hem gemakkelijk in. Zijn trappers gingen zo snel rond dat zijn sportschoenen slechts wazige vlekken leken. Hij was bezweet. Ik reed hem voorbij en stopte voor het volgende stoplicht, waar hij naast me kwam staan. Het licht sprong op groen en daar ging hij weer: trappen, trappen, trappen. Tot zijn zichtbare ergernis haalde ik hem opnieuw in.

Op het schoolplein wachtte ik op mijn jongens. De jongste kwam naar buiten. Zijn kapsel, dat ik die ochtend met veel gel omhoog had gekamd, was ingezakt. Het was ‘Doe eens raar met je haar’-dag, vaste prik op de woensdag voor Carnaval. Hij keek sip. Hij hoorde niet bij de beste drie kapsels, vertelde hij. Een meisje met in haar haar bolletjes wol en breinaalden rende hem stralend voorbij.

Nou ja, goed, het ging wel weer over hoor. Thuis aten we een paar bastognekoeken en werkten aan zijn robotkostuum. En dat paniekboek dat ik kocht – The Girls, van Emma Cline – begint heel goed. Ik hoop dat ze er géén prijs mee wint.


Je abonneren op deze stukjes of een eenmalige donatie doen? Klik hier. Eind maart verschijnt Berichten uit het tussenhuisje.