plat haar

Ik zit in de Rotterdamse metro, op weg naar het centrum, met op een briefje in m’n portemonnee alle inlogcodes van m’n vader. De codes zijn voor als hij vandaag komt te overlijden, zodat ik toegang heb tot zijn iMac en iPhone en drie iPads. (Mijn vader houdt van Apple.) ‘Je komt er anders echt niet zomaar in,’ waarschuwde hij. ‘De beveiliging is heel goed.’

Hij wordt geopereerd aan zijn sinussen en moet onder narcose. Zesenzestig, iets te zwaar, iets te hoge bloeddruk, dus je weet maar nooit. De operatie duurt drie uur, vandaar dat ik in de tussentijd even op en neer ga naar de stad. Toen we elkaar vaarwel zeiden had hij eindelijk zijn groene gewaad aan; pas op het allerlaatste moment wilde hij zich omkleden en in bed stappen, alsof de dood hem zou ruiken zodra hij ging liggen. ‘Mijn haar zal naderhand aan de achterkant wel heel raar plat zitten,’ zei hij. Het is een beeld uit zijn geheugen, van zijn eigen vader, toen die in het ziekenhuis lag.

Mijn vader woont hier en ik ben hier geboren. Als kind kwam ik ieder weekend. Er is veel veranderd; in de metro wordt geen heroïne meer gerookt, je ziet in de stoepgoot geen naalden meer liggen. Toch is het type mens niet veranderd, alsof de helft van de mensen hun kleren een maatje te groot op de markt koopt. Tegenover me zit een man gekleed in een trui met Amerikaanse vlag en een leren jack met ‘biker’ erop. Om zijn hoofd zit een bandana geknoopt, ook met de Amerikaanse vlag. Hij heeft een plastic Lidl-tas en belt met zijn moeder. Hij vertelt haar over de dierentuin, als een kind. Hij heeft geen motor, vermoed ik.

Als jongetje, naast mijn vader, deed ik het ook al: eindeloos staren naar die paradijsvogels.

Mijn vader, jong en fit, die ik nooit kon bijhouden als we naast elkaar liepen.

Naar boekhandel Donner en terug, dat is mijn uitstapje. Ik loop er binnen, zoek naar mijn boek en zie het niet liggen. Pas na lang zoeken: ergens onderaan, uit het zicht. Zie je wel, denk ik. Ook nu zal het weer niet lukken. Als ik Zuidland van Thomése afreken kan ik het niet laten: ‘Jammer dat mijn boek zo uit het zicht ligt. Ik ben hier tenslotte geboren.’ De verkoper kijkt me even aan en wijst naar iets achter me. Ik draai me om en zie een display met de tien best verkochte boeken, het mijne pontificaal op zes. ‘O,’ zeg ik, met een schaamtevol lachje. ‘Had ik even gemist.’

De hele terugreis denk ik er nog over na. Over mijn boek en hoe het verkoopt en of het zal lukken. (En wat bedoel ik eigenlijk met ‘lukken’?) Piekerend loop ik het metrostation uit en pas als het ziekenhuis opdoemt denk ik weer aan mijn vader.

Hij leeft nog. Hij huilt, maar hij leeft nog. Zijn neus opgezwollen, verband eronder, infuus in zijn arm. ‘Waarom huil je?’ vraag ik. ‘Heb je pijn?’ Hij schudt zijn hoofd en slikt moeizaam. ‘Ik denk steeds aan mijn eigen vader, en aan jou, dat je hier bent.’ Ik knijp zachtjes in zijn knie en kijk naar zijn grijze haar, dat aan de achterkant helemaal plat is.


Het boek in kwestie heet Berichten uit het tussenhuisje. Je abonneren op deze stukjes kan hier. 

voetbalveld

We weten niet welk veld, mijn oudste zoon van elf en ik. Het is zijn eerste wedstrijd. Hij loopt naast me op zijn voetbalschoenen, maatje veertig. ‘Ik denk daar,’ zegt hij. Ik denk van niet, maar ik zeg niks; de laatste paar keer dat ik de weg dacht te weten kreeg hij gelijk. Ook nu weer, blijkt.

Ik wil hem helpen, hem bijstaan, omdat ik zie dat hij het spannend vindt, maar hij zegt: ‘Ga maar bij die andere ouders staan.’ 

Ik heb nooit gevoetbald, ik weet niet hoe dit werkt. De oma van een andere speler biedt me koffie aan uit een thermoskan. Ik vraag me af of het een roulatiesysteem is; wellicht is het volgende week mijn beurt?

Als de wedstrijd is begonnen sta ik naast een paar vaders van de tegenpartij. Ze hebben het over hun werk, over zaken en lease-auto’s, hun handen trefzeker in de broekzakken. Af en toe schudden ze misprijzend hun hoofd. ‘Daar links, daar staat dus gewoon níémand,’ zegt een vader. Ik volg zijn blik en beaam het. ‘Er staat daar inderdaad echt niemand,’ zeg ik.

Ze staan achter, de tegenpartij. De vaders mopperen. ‘Moet je zien hoe lang die nummer 10 is. Bekant twee koppen groter dan onze jongens.’ Nummer 10 is mijn zoon. Hun onvrede neemt toe. ‘Ze kunnen het wel, maar ze doen het niet,’ zegt een vader. ‘Als ze gewoon voetballen dan winnen ze.’ 

Mijn zoon scoort twee keer. Hij kijkt naar me om, wil zien of ik wel kijk. Dan doet hij iets wat blijkbaar niet mag. Hij schiet de bal op een moment dat die aan de tegenpartij moet worden overgedragen. En erger nog: de bal raakt een tegenspeler. Ik zie de gêne op zijn gezicht. Hij is kwaad op zichzelf en ik weet dat zijn vreugde om de twee doelpunten niet zal opwegen tegen de somberte om deze fout. Hij staat zo ver weg; ik wil het veld oplopen. De vaders praten nog, maar ik hoor ze niet meer.

Als ons team 5-2 voorstaat moedig ik een keer de tegenpartij aan, wat klaarblijkelijk niet de bedoeling is. Wanneer de bal uit het veld rolt wil ik hem terugschoppen, maar ik schop mis.

De zon zakt en de lucht, smetteloos, weerspiegelt een innerlijke rust die ik nergens kan vinden. Een zwerm ganzen vliegt over. Ik zeg: ‘Die ganzen bekommeren zich niet om de doelpunten op dit veld.’ Even word ik aangestaard, dan genegeerd.

Na de wedstrijd pak ik mijn jas van de grond. Als ik hem dichtrits voel ik iets kriebelen tegen mijn lippen. Touwtjes van de rits, gok ik, maar als ik het aanraak valt er een verdwaasde bij op de grond. Ik lach, omdat ik niet ben gestoken, omdat ik aan iets ben ontkomen, maar niemand heeft het gezien. De bij ligt op zijn rug tussen de ouders, beweegt driftig al zijn pootjes en wordt dan vermorzeld onder een schoen.

Mijn zoon wandelt naar me toe, zwijgend, een frons op zijn voorhoofd. Ik knijp in zijn nek. ‘Ik ben trots op je,’ zeg ik, waarop hij knikt en mijn hand weghaalt.


Recentelijk verschenen: Berichten uit het tussenhuisje. Je abonneren op deze stukjes kan hier.

how stupid can you be?

Tegenover me in de trein zit een vrouw van begin vijftig. Kort haar, simpele sieraden, een leren tasje, een leesbril, een broek met verticale witte en zwarte banen. Het is rond zes uur ’s middags, ze oogt moe, waarschijnlijk onderweg naar huis. Ze heeft haar telefoon op het tafeltje liggen, aangesloten op een powerbank; deze reis is routine.

De telefoon gaat. Ze praat Nederlands met een Amerikaans accent en heeft een bekende aan de lijn. Na een tijdje zegt ze: ‘Je hoeft niet zo te reageren.’ Ik hoor een geagiteerde mannenstem, jonger dan zij; ik vermoed haar zoon. ‘You’re what?’ vraagt ze, overgeschakeld naar het Engels. En dan: ‘Why? How much did you lose? More than duizend euro?’ Ze wacht en luistert, haar blik uit het raam; het besef daalt in maar verrast haar niet. Dan: ‘Well then why did you do it? How stupid can you be?’ Meer verontwaardigd gesputter aan de andere kant van de lijn. En zij, nu weer in het Nederlands: ‘Dus ik werk voor niets.’ Ze laat hem praten. Na een tijdje: ‘Nee, natuurlijk niet, dat is het nooit, maar wiens schuld is het dan wel?’

Hij kwettert nog feller. Ze hoort hem gelaten aan. Er is wanhoop, maar de wanhoop zit al zo lang in haar lichaam dat het tot een extra orgaan is verworden. ‘Sure,’ zegt ze. ‘Okay. Of course. Yes. Well, have fun then. Yes. Goodbye.’ Dan hangt ze op.

De telefoon ligt weer op het tafeltje. Ze staart uit het raam, haar pupillen springen van huis naar paal naar koe naar spoorwegovergang naar hond. Vochtige ogen? Nee, dat niet. Ze is het huilen voorbij, haar traanbuizen ruw. Je ziet haar denken en malen en het gesprek in gedachten nog eens overdoen.

Na een tijdje pakt ze haar telefoon. Haar denken heeft geleid tot nieuwe inzichten, nieuw onbegrip. Ze moet er nog iets over kwijt, er moet iets worden gedeeld. Ik hoop dat het de vader is aan wie ze een bericht stuurt, iemand die de last met haar kan delen, iemand die een grapje kan maken, maar haar verbeten blik zegt me dat het een berichtje is aan dezelfde persoon als zojuist. Een berichtje met een ‘trouwens’, of een ‘daarnaast’, of een ‘besef je wel dat’. Steeds zwaarder wordt de zak met stenen die aan haar is vastgeknoopt, en steeds dieper zinken ze samen weg.

Ik zie hem zitten, aan de andere kant van de lijn. Hij leest het berichtje en schudt driftig zijn hoofd. Zijn moeder begrijpt hem niet. Zijn moeder is onmogelijk. 


Een abonnement op deze stukjes, met leuke extra’s, regel je hier. Mijn nieuwste boek heet Berichten uit het tussenhuisje.

de bejaarden worden gevoerd

In het dorpshuis van Veldhoven wacht ik tot mijn jongste klaar is met zijn toneelles. Normaal zit ik hier alleen, in deze wachtruimte met tafel, stoelen, een kast met leenboeken en een audiosetje met cassettedeck en cd-speler, maar nu is het een drukte van – jawel – jewelste.

De jaarvergadering van de ouderenraad, of zoiets. In de grote zaal hiernaast zitten zeker honderd bejaarden. Hier, waar ik zit, stallen mensen van de catering piepschuimen dozen met warm eten en dienbladen met bijgerechten.

‘Let maar niet op mij,’ zeg ik, als ze me zien zitten met m’n telefoon in de hand en een open boek op schoot. Ik wil het boek lezen, maar ik lees voor de tweede keer het artikel van Christiaan Weijts (heb je hem weer) in De Groene Amsterdammer. Het goede nieuws is dat hij dit keer geen analyses loslaat op mijn tattoos, ongeschooldheid of zogenaamde arbeidersmilieu (mijn vader was acteur en werd jurist, mijn moeder was lerares en werd regisseuse, mijn stiefvader was een zakenman). In tegenstelling tot Wij zeggen hier niet halfbroer heeft hij Berichten wél gelezen. Nog meer goed nieuws is een citaat als dit: ‘In het schetsen van dit soort emotioneel geladen taferelen, met een minimum aan woorden, excelleert Van Straten als geen ander.’ Maar dan kan hij het toch niet laten en schrijft hij: ‘Geen moment heb ik me trouwens afgevraagd of ik wel literatúúr aan het lezen was. Ik weet het nog steeds niet echt.’

Weijts weet niet of ik wel literatuur schrijf. Je verwacht het niet. Maar natuurlijk blijf ik daaraan hangen. Natuurlijk is dat het enige zinnetje dat ik zie, alsof de rest van de tekst met een benzinestift is doorstreept.

Twee vrouwen en een man staan te overleggen bij de bakken met eten. Ze hebben het over ‘slooi’ (sla) en ‘gruunte’ (groenten). Ze werken al langer samen, dat zie je, en ze hebben hetzelfde dialect, ze zijn van hier, ze hebben het gezellig. Geen haast: het komt wel goed.

Ik pak m’n boek en leg het weer terug. Wat betekent dat eigenlijk, als je op nummer 12 in de Top-60 staat? (Het nieuws dat ik vanochtend kreeg, over mijn plaatsje op de lijst met bestverkopende boeken.) Wat als ik nu meteen weer naar beneden zak?

De tafel staat nu vol met plastic bakken, drie soorten netjes in rijen: stoofpeertjes, salade, appelmoes. Het doet me denken aan een excursie naar de dierentuin, als kind. De bakken voer voor de dieren, met precies de ingrediënten die ze nodig hebben. De bejaarden worden gevoerd. Deze associatie stelt me gerust, al weet ik niet precies waarom. 

‘Als ik opzij moet dan zeg het maar hè,’ bied ik aan wanneer iemand van de catering over me heen buigt. Maar het hoeft niet. De vreemdeling mag blijven zitten, met zijn boek op schoot en zijn telefoon in de hand.

‘Mag ik niet meehelpen?’ vraag ik bijna. ‘Mag ik niet bij jullie horen?’


Helaas tijdelijk niet meer overal leverbaar: Berichten uit het tussenhuisje. Voor een abonnement op deze stukjes: klik hier.

een nieuwe kijk op de lente

Nooit was ik me zo bewust van de overgang van winter naar lente. Het komt omdat ik, sinds afgelopen zomer, veel met m’n achtertuintje bezig ben. Bij het tuincentrum (eerst bij Intratuin, tot ik erachter kwam dat die bespoten bloemen verkopen en zo bijdragen aan de bijensterfte, en daarna bij een onafhankelijk, gemoedelijk bedrijf) kocht ik planten, koeienmest, kalkkorrels en bloedmeel.

Nadat ik die nieuwe planten in de aarde had gezet ging ik steeds bij ze kijken. Iedere dag, meerdere keren. Hoe ging het met ze? Soms zat ik in een stoel gewoon een halfuur lang naar ze te staren.

Maar het was augustus. Alles was al groen en ging al gebukt onder het eigen gewicht. Het verval was aanstaande. Ik had bloemen gezaaid, maar te laat, waardoor die planten pas in september gingen bloeien en in de herfstregen hun zware hoofden lieten hangen.

In de winter, toen alles kaal was behalve de varen en de wolfsmelk, haalde ik nog twee grote tegels weg. Op de eerste mooie dag in maart reed ik naar het tuincentrum, terug met een achterbak vol planten, en de tweede mooie dag nog eens. Sindsdien loop ik steeds weer naar buiten om te gaan kijken. Zie ik al blaadjes? Zijn er al knoppen? Ik heb een eikenboompje dat wel wil maar nog even wacht. Ik heb een hibiscus die doet alsof het nog winter is. De schijnaugurk, die ik afgelopen zomer plantte, heeft een aantal zwarte, verpieterde blaadjes, door de hevige vorst van een tijdje geleden. Te vroeg naar buiten gekomen. (Wat de hibiscus ertoe bracht om minzaam te zeggen: ‘Je wilde niet naar me luisteren hè?’) 

Het groen worden van de wereld: ook vroeger had ik het heus wel in de gaten, maar dat was alleen op momenten waarop het me plots overviel, dat ik ineens opkeek en zag dat het al zover was. Maar het proces voltrok zich buiten mijn bewustzijn, buiten mijn aandacht. Nu kijk ik naar iedere plant die ik zie, ook buitenshuis: deze nog kaal, deze al knopjes, deze al blad.

Het worden individuen: de schijnaugurk die te ongeduldig was, de hibiscus die nog steeds van niets wil weten. (En zo míj ongeduldig maakt. Kom op zeg, de zon schijnt recht op je neus.)

Tweede paasdag zat ik met familie bij mijn broer, op één hoog. Ik was in gesprek, maar ik keek steeds uit het raam, waar ik een klimplant zag groeien. Uit de takken staken kleine groene flosjes. Ze leidde me af van het gesprek. Of nee, het gesprek leidde me af van haar. De waarheid, de essentie, was daarbuiten.

Zodra het zonnetje schijnt ga ik in een tuinstoel naar ze zitten kijken. Ik wil nu zeggen: meer dan dat hoeft er dan even niet. Maar dat is niet waar. Dat is juist het probleem: dat er, ondanks het goede voorbeeld dat die planten je geven, altijd meer moet.


Voor een abonnement of eenmalige donatie: klik hier. Zojuist verschenen: Berichten uit het tussenhuisje.